el_lissitzky_the_constructor_1924

Publicatie | Rem Koolhaas: De dood en wederopstanding van de starchitect

Tekst Roel Griffioen

Beeld El Lissitzky, De bouwer, 1924

Dit artikel is gepubliceerd in AWM 50 (2013), pp. 74-79 (bekijk de pdf)

 

Bij OMA kan iedereen, van stagiaire tot partner, het winnende idee voor een ontwerp aandragen, zo gaat het verhaal. Het auteurschap is bij het bureau zo ambigu dat architect Rem Koolhaas het woord ‘ik’ door ‘wij’ heeft vervangen. De groei van zijn naamsbekendheid blijkt hier echter niet door te worden afgeremd. Houden de media op dit punt vast aan een historisch gegroeide fixatie op Bekende Namen? Of is hier meer aan de hand en kan Koolhaas opgevat worden als ghostwriter van OMA?

Rem Koolhaas’ allergie voor het woord starchitecture is beroemd. Toen presentator Twan Huys hem in 2009 in een aflevering van NOVA College Tour vroeg waarom hij zo’n aversie heeft tegen dit woord, antwoordde hij dat je als architect die bovendien celebrity is allerlei aannames hebt te pareren: “Een star architect is iemand die het geen ruk kan schelen wat mensen vinden, die over lijken gaat als het zijn klanten betreft, die volledig onverschillig is over geld, noem maar op. Je moet dan duidelijk maken dat je eigenlijk een best aardig mens bent, dat je eigenlijk weldegelijk nadenkt of mensen gelukkig zijn in je gebouwen, dat dat zelfs niet onbelangrijk voor je is, dat je het beste voor hebt met de mensheid, dat je net als ieder ander probeert om er iets moois van te maken.”

Gelukkig is het binnenkort afgelopen met de sterrencultus rond architecten. Dat constateerde tenminste architectuurjournaliste Tracy Metz onlangs tevreden in de Groene Amsterdammer. Op de Architectuurbiënnale in Venetië had zij gezien dat een fixatie op starchitecture plaats maakt voor gemeenschapszin en burgerinitiatief. “Nooit eerder heeft de biënnale zo’n sterke politieke en sociale insteek gehad; nooit eerder is er hier, in het hart van het vak, zo’n sterk mea culpa uitgesproken.”

Wat is dat voor mea culpa? Eigenlijk dat architecten te lang in een bel van zelfgenoegzaamheid hebben gezeten. Gastcurator David Chipperfield stelt dat de professie en de maatschappij uit elkaar zijn gegroeid. Architecten worden gezien als “zichzelf promotende, autobiografische dieren.” Dat moet maar eens voorbij zijn, stelt de curator. ‘Zijn’ biënnale, getiteld ‘Common Ground’, wil daarom geen verzameling van “individuele spektakels” zijn. De 69 projecten die Chipperfield bijeenbracht, zijn volgens hem “manifestaties van gemeenschappelijke waarden.” Architectuur die niet ingezet wordt ter meerdere eer en glorie van de bedenker, maar dienstbaar is aan de publieke zaak.

Om de insteek van ‘Common Ground’ te illustreren, beschrijft Tracy Metz onder meer de inzending van OMA. Het bureau presenteert vijftien gebouwen van anonieme bureaucraten, als een ode aan een soort naamloze geen-woorden-maar-daden-architectuur uit de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw, toen veel talentvolle architecten in dienst waren van het overheidsapparaat. Zij schortten hun eigen carrière op om voor de publieke zaak te bouwen – iets dat haast ondenkbaar is in het huidige “tijdperk van de starchitect”, stelt OMA melancholisch vast.

Metz ziet het project van OMA als een bewijs dat “starchitect Rem Koolhaas” zich “afkeert van de roem”. Door er blind vanuit te gaan dat Koolhaas verantwoordelijk is voor de installatie (door OMA toegeschreven aan partner Reinier de Graaf), onderstreept Metz ironisch genoeg dat de sterrencultus die zij doodverklaart, nog steeds bestaat. De dubbele logica van de biënnale van Chipperfield lijkt Metz helaas sowieso te ontgaan. Starchitecture verwijst naar een exclusieve, internationale jetset van glamour-architecten. Hoewel het waar er ook allemaal interessante projecten van minder bekende architecten, critici en academici geprogrammeerd zijn, gaat de meeste publieke aandacht uit naar de aanwezige Goden uit het pantheon van de architectuur: Zaha Hadid, Norman Foster, Alvaro Siza, Bernard Tschumi en Rem Koolhaas. Waarom moeten uitgerekend zij ons vertellen dat architecten zich ten onrechte hebben laten verheerlijken?

Roarkisme
Dat neemt niet weg dat de diagnose van ‘Common Ground’ juist is: we zijn geobsedeerd geraakt door de namen van Bekende Architecten. De architectuurhistorica Mary Woods heeft deze aanhoudende obsessie eens treffend ‘Roarkisme’ genoemd, naar Howard Roark, de beroemde Held-Architect van Ayn Rand’s roman The Fountainhead uit 1943. Howard Roark is een extreem individualistische, non-conformistische architect. Hij werkt niet samen met anderen, omdat hij in geen geval tot compromissen bereid is. Zijn gebouwen zijn autonome objecten, die getuigen van de onbesmette originaliteit van hun schepper. Typisch voor The Fountainhead is ook de naamsverheerlijking. De naam Howard Roark wordt op mantra-achtige wijze herkauwd, vaak in de volgende formule: Naam komma beroep punt. Howard Roark komma Architect punt. Vrouw staart naar de naam op de deur: Howard Roark komma Architect punt. Brievenhoofd op de correspondentie: Howard Roark komma Architect punt. Handtekening in de onderhoek van een schets: Howard Roark komma Architect punt. Enzovoort. Het is duidelijk dat Howard Roark geen architect is in de gangbare betekenis van het woord. Hij is niet de persoon die simpelweg een idee visualiseert en over de uitvoering probeert te waken. Nee, hij is een Auteur-Architect, iemand die zijn hoogst persoonlijke creatieve visie laat stollen in een ontwerp dat vervolgens met een handtekening verzegeld wordt.

Roarkisme is nog alomtegenwoordig, en zit dieper dan de schuldbelijdende starchitects op de biënnale willen doen geloven. Eredivisie-architectuur – zeg maar, de architectuur die je aantreft in koffietafelboeken – wordt nog steeds gezien als een wereld die geregeerd wordt door zelfverzekerde, hypercreatieve Roarks. Besprekingen in architectuurbladen vertellen dat die-en-die architect dat-en-dat ontwerpprobleem zus-en-zo opgelost heeft. De architectuurhistorische canon is een lange litanie van Belangwekkende Namen. Het overzichtsboek is meestal een hybride vorm tussen chronologie en een lexicon. De rijkgeïllustreerde salontafel-monografie is misschien het beste voorbeeld van Roarkisme, waarbij de titel niet zelden de Randiaanse formule volgt: Naam komma Architect punt.

Ten grondslag aan Roarkisme ligt een geloof in Le Corbusiers stelling dat architectuur een pure creatie van de geest is. Architectuur komt in deze visie tot stand in een soort onbevlekte ontvangenis, niet in een lang, moeizaam en duur proces van handjeklap met de aannemer, eindeloos lang durende vergaderingen met cliënten, gepieker over bestemmingsplannen, financiële tegenvallers en papierbakken vol afgekeurde schetsen. Dat is natuurlijk een fabel. Gebouwen ontstaan niet simpelweg in de pen van een ontwerper, zoals dat bij Howard Roark het geval is. Wellicht is het zinvoller om naar gebouwen te kijken als dichte weefels van referenties die dikwijls niet te terug te voeren zijn naar één bron, en niet doelbewust in het gebouw geschreven zijn, maar er niettemin onderdeel van uit maken. Zo beschreef Roland Barthes in zijn beroemde essay ‘La mort de l’Auteur’ (Dood van de Auteur) de manier waarop hij naar teksten keek. Hij stelde dat een tekst nooit een geïsoleerde entiteit is, bedacht door een schrijvende schepper – een Auteur. Een tekst heeft niet een eenduidige, “theologische” boodschap, die door de “Auteur-God” is ingelegd, stelt Barthes. Nee, het is beter te vergelijken met een “multidimensionale ruimte” waarin allerlei invloeden samenkomen, in elkaar oplossen of juist elkaar afstoten.

In de architectuur is auteurschap nog problematischer dan in de literatuur. Architectuur is een diep synthetisch vak. Verschillende partijen met verschillende agenda’s zijn samen verantwoordelijk voor het eindresultaat. Ontwerpbureaus zijn plekken met een ingewikkelde topografie van macht, taken, verantwoordelijkheden en vaardigheden. En zelfs in het geval dat een project opgepakt wordt door één architect met totale ontwerpvrijheid, dan blijft het de vraag hoe ‘origineel’, ‘authentiek’, of ‘autonoom’ het eindresultaat is. Elke ontwerper draagt een immense catalogus met zich mee van beelden, opgebouwd tijdens een leven van blootstelling aan de architectuur van anderen, tijdens uren van grasduinen in architectuurtijdschriften en ettelijke excursies naar canonieke bouwwerken.

Projectontwikkelaars, opgewonden over de reikwijdte van de naam van een sterarchitect, doen alles dat in hun macht ligt om de naam van de architect samen te laten vallen met het gebouw. Het computerlokaal waarvandaan ik deze tekst schrijf, kijkt uit over de Amsterdamse Zuidas, waar de meeste kantoortorens naar hun beroemde makers vernoemd zijn: Ito, Viñoly, SOM, Graves. De beroepsgroep zelf doet weinig moeite om uit deze fuik te ontsnappen. Namen worden gevoerd als merken, en architecten – of de grote bedrijven die achter hun naam schuilgaan – ontwikkelen een signature style die gemakkelijk te herkennen en te verkopen is. Veelzeggend is de recente naamwijziging van het kantoor van Erick van Egeraat, een typische exponent van handtekeningarchitectuur. Het bureau heette tot voorkort EEA, Erick van Egeraat Architects, maar ging na een doorstart verder onder de naam designed by Erick van Egeraat, met een logo vormgegeven als handtekening. Erick de Auteur.

Rem Koolhaas
Als er een architect zich bewust is van de valkuilen van de Auteurcultus in de architectuur, dan is het Rem Koolhaas. In S/M/L/XL spreekt Koolhaas over architecten die “veroordeeld” zijn tot sterrendom. Veel van zijn architectuur- en tekstproductie is erop gericht om de modernistische gemeenplaatsen over originaliteit en autonomie te ondermijnen. Het project op de biënnale, waar ‘anonieme’ meesterwerken gepresenteerd werden, is daar een sprekend voorbeeld van. Een ander voorbeeld is de projectie van alle 3,5 miljoen beelden uit de database van OMA in willekeurige volgorde en in een ononderbroken ‘loop’, die afgelopen jaar te zien was op de tentoonstelling OMA/Progress in het Barbican Art Center in Londen. De projectie wekt de suggestie dat de kijker een inkijkje krijgt in het onderbewuste van het architectenbureau. Aha, uit deze humuslaag van beelden komen alle ideeën en ontwerpen van OMA dus voort.

De kritische taxatie van auteurschap is bij Koolhaas en OMA zelfs zo diep geïnternaliseerd dat het een onmisbaar deel is geworden van de zelfrepresentatie. Terwijl beschrijvingen van Roark’s kantoor in The Fountainhead doen denken aan romantische voorstellingen van het schildersatelier, waar de kunstenaar in afzondering aan zijn begeesterde doeken werkt, zo wordt de werkomgeving van OMA stelselmatig voorgesteld als het tegenovergestelde: een soort ideeënlaboratorium, waar rijen jonge architecten de klok rond werken aan avontuurlijke projecten die wellicht nooit gerealiseerd zullen worden. Een oeranekdote over OMA, die in veel publicaties herhaald wordt, verhaalt van een architectuurstudent die voor het eerst het kantoor binnenloopt en zich binnen minuten onmisbaar weet te maken. De boodschap is duidelijk: OMA is zo sterk anti-hiërarchisch ingericht dat je als nieuwkomer direct invloed op het eindproduct kan hebben. Een ander verhaal waar men vaak op stuit in de OMA-mythologie gaat over aspirant-architecten die als ‘dummies’ achter bureaus werden geplaatst om indruk te maken op potentiële cliënten. Het kantoor wordt hier niet voorgesteld als een stolp die de architect moet beschermen tegen beïnvloeding van buitenaf, van de markt of de architectuurkritiek. Integendeel, het is een plek die deze mechanismen absorbeert en faciliteert.

In de publieke opinie staat OMA gelijk aan Rem Koolhaas. Koolhaas en andere OMA-kopstukken grijpen elke gelegenheid aan om deze simpele Man and his Work-lezing te ontkrachten. In interviews en essays wordt stelselmatig gehamerd op de collaboratieve aard van het werkproces bij OMA, de synergie van ideeën en de horizontaliteit van de organisatie. “Het meest bijzondere element waarvan Koolhaas de auteur is, is het werkproces van het kantoor. Dat is wat men over duizend jaar nog steeds zal aanwijzen als datgene dat werkelijk vernieuwend was aan Rem,” sprak in 2005 toenmalig OMA-partner Joshua Prince-Ramus in een artikel in The New Yorker over zijn mentor. Woorden van soortgelijke strekking vielen op OMA Show & Tell: XL Architecture Night, een bijeenkomst ter gelegenheid van de eerdergenoemde tentoonstelling in het Barbican, waarbij zes van de zeven partners van OMA zich lieten interviewen door Chris Dercon, de directeur van Tate Modern. Ellen van Loon: “We zijn een proces-gestuurd bureau, niet een bureau met één sterarchitect die een schets maakt die alles bevat en vervolgens door anderen uitgewerkt wordt.” Reinier de Graaf: “De ontwerpen waar wij aan werken hebben geen auteurschap.”

Auteur in ontkenning
Op allerlei manieren wordt bij OMA dus de suggestie gewekt dat auteurschap werkelijk geen rol speelt. Soms gebeurt dat op een veelzeggend krampachtige wijze. Toen de auteur van het eerdergenoemde stuk in The New Yorker informeerde naar wie op het idee is gekomen van de markante vorm van het meest iconische OMA-gebouw, de CCTV-toren met zijn overkragende hoek, gaf niemand direct antwoord. Koolhaas zei dat hij het niet wist. Scheeren ontweek de vraag. Uiteindelijk vertelde Joshua Prince-Ramus dat het idee afkomstig is van een projectarchitect genaamd Fernando Donis. Prince-Ramus haastte zich om eraan toe te voegen dat het bij OMA niet uitmaakt waar ideeën vandaan komen, “of dat nu van Rem is, van mij, of van een student die pas dertig seconden op het kantoor is”. Dit werpt de vraag op in hoeverre OMA eigenlijk verschilt van de Grote Ateliers van schilders zoals Rembrandt en Rubens. Uiteindelijk verdwijnen de collectieve inspanningen van de leerlingen achter de handtekening van de Meester: Rembrandt Harmsz.. Pieter-Paul Rubens. OMA.

Prince-Ramus gaf tussen 2000 en 2006 leiding aan het OMA-filiaal in New York. Toen hij OMA verliet en een aantal projecten en de 35 leden tellende staf meenam, werd deze stap paradoxaal genoeg uitgelegd als een poging om “zaken over auteurschap en controle te verhelderen.” Koolhaas meldde in de New York Times dat het kantoor in New York altijd al een afzonderlijke entiteit was. “Ramus heeft op een zeer indrukwekkende, zeer succesvolle manier leiding gegeven aan die entiteit. De kwestie is aan wie dat werk [van het kantoor in New York] toegeschreven moet worden. Hij heeft belang bij de volledige erkenning, omdat hij de enige auteur ervan is. Het is in mijn belang dat er onduidelijkheid ontstaat over wat het werk van Joshua Ramus is, en wat van OMA.”

Koolhaas staat altijd klaar om de mythologie rond het beroep architect te weerspreken, maar hij vervangt oude mythes door nieuwe. In een speech die hij in 1986 hield ter gelegenheid van het winnen van de Maaskantprijs, proclameerde hij: “Het is een merkwaardig gevoel maar ik ben geen ik. Ik heb in mijn hele carrière maar één keer het woord ‘ik’ geschreven en dat was in de zin ‘ik ben een ghostwriter’.” Koolhaas predikt depersonalisatie, alsof hij, uiteindelijk, wil verdwijnen in een soort Boeddhistische wolk van naamloosheid. In Koolhaas wordt het Roarkiaanse model van de Auteur-Architect ontzenuwd, om direct weer op te duiken als een mutatie van dezelfde gemeenplaats: de auteur-vermomd-als-ghostwriter. Het is Koolhaas zelf, of liever gezegd zijn publieke persona, die stem geeft aan het verlangen om te verdwijnen. Het is de verteller Koolhaas, bedacht door de auteur Koolhaas, die verklaart dat de held Koolhaas slechts fictie is.

Dit is dezelfde dubbele logica die de Architectuurbiënnale ‘Common Ground’ ook parten speelt. Wie de hele tijd bezig is te laten zien hoe onbelangrijk hij eigenlijk is, laat zien hoe belangrijk hij is. De starchitect is dood, leve de starchitect!—

Dit artikel is een bewerking van de lezing ‘The Starchitect, a Literary Figure?’, gehouden op het seminar ‘The Aura of the Architect’, ter gelegenheid van de uitreiking van een eredoctoraat aan Rem Koolhaas op de Vrije Universiteit Amsterdam, 19 oktober 2012.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s