Vertov - Man with a Movie Camera

Opinie | Een nieuwe Vlaamse school?

Een nieuwe Vlaamse school? Het Architectuurboek Vlaanderen Nº10 en de fotografie van de gemeenplaats

Geplaatst op http://www.deburen.eu/nl. De tekst is geschreven op uitnodiging van Vlaams-Nederlands Huis deBuren en het Vlaams Architectuurinstituut (VAi) naar aanleiding van het verschijnen van Architectuurboek Vlaanderen Nº10: Radicale Gemeenplaatsen. Europese architectuur uit Vlaanderen en ter gelegenheid van Superflemish?, een debat met op 9 april in deSingel, Antwerpen met Christoph Grafe, Christiaan Weijts, Klaske Havik, Roel Griffioen en Gideon Boie.

In 2009 interviewde ik voor het tijdschrift AWM drie architectuurfotografen die elk op hun eigen manier proberen te ontsnappen aan de mooi-weerfotografie die gebruikelijk is in architectentijdschriften en -boeken. Die publicaties staan in de regel vol met plooiloze projectfoto’s waarin het gebouw op zijn paasbest gepresenteerd wordt, vers opgeleverd en tegen een egaal blauwe hemel gezet. Samen met de redactie selecteerde ik drie fotografen die drie verschillende ontsnappingsstrategieën symboliseren: de Nederlander Iwan Baan, de in Londen gevestigde Zwitserse Hélène Binet en de Belg Filip Dujardin.

De eerste en tweede zijn actief op een internationale schaal. Baan vliegt als geadopteerd wonderkind van jetsetarchitecten als Rem Koolhaas, Steven Holl en Jacques Herzog de hele wereld over om hun gebouwen op onconventionele wijze vast te leggen. Bijvoorbeeld met series in een pseudoreportagestijl of in spectaculaire ‘Waar is Waldo’-achtige luchtfoto’s. Baan pakt het groot aan, Binet kiest voor klein. Zij maakt poëtische beeldvertellingen van gebouwen van onder meer Zaha Hadid, Daniel Libeskind en Peter Zumthor. Dat levert exquise detailfoto’s in de traditie van Lucien Hervé op.

Tegen de fotografische praktijken van deze twee steekt het werk van Dujardin wat gewoontjes af. De fotograaf stapt niet in helikopters om zijn onderwerp in een stedelijk zoekplaatje te vangen en wurmt zich niet in vreemde hoeken om een bepaald detail te sacraliseren. Zijn foto’s zijn vrijwel fratsloos. (Ik spreek hier overigens over Dujardins commerciële werk, niet over de fotomontages waarmee hij enige naam maakt in het kunstcircuit.) Het leesbaar maken van de interne organisatie (bij interieurfoto’s) en de stedelijke of landschappelijke situering van het object (bij exterieurfoto’s) lijken de primaire uitgangspunten van zijn fotografie. In vergelijking met Baan en Binet is Dujardins praktijk bovendien erg geworteld in een afgeperkt gebied: de meeste van de gebouwen die hij fotografeert, bevinden zich binnen de Belgische landsgrenzen.

Het interessante – en ongewone – aan Dujardins fotografie is dat er leven in zit. Echt leven. Vaak worden de foto’s bevolkt door menselijke figuren – passanten, spelende kinderen, kaartende mannen. Op zachtaardige wijze wekken deze figuranten het afgebeelde gebouw uit de schoonheidsslaap. Bovendien wordt het gefotografeerde gebouw zelden gepresenteerd als geïsoleerd object, als architecturale sculptuur. Dujardin maakt de inbedding in de omgeving zichtbaar. Het nieuwe gebouw wordt waarneembaar onderdeel van een gegeven context; het is gepoot in het reeds bestaande en moet zich daar op een bepaalde manier toe verhouden. Goedschiks of kwaadschiks.

Jaarboekland

Dujardin is geen eenling, zo ontdekte ik tot mijn verbazing bij lezing van het Architectuurboek Vlaanderen Nº10. De strategieën die ik in 2009 in zijn werk herkende, maken schijnbaar deel uit van een grotere ontwikkeling. Is er iets gaande, daar in Vlaanderen?

Om te beginnen is de aandacht die in het Architectuurboek wordt geschonken aan de fotografie weldadig. Na een voorwoord van minister Joke Schauvliege en een inleiding van Christoph Grafe, directeur van het Vlaams Architectuurinstituut, trapt het boek af met een inzichtrijke tekst van Stefan Siffer over de verschillende functies die fotografie kan vervullen binnen het brede veld van architectuurreflectie en –productie. Die tekst, met de enigszins cryptische titel ‘Fotografie als amfibie’, fungeert tegelijk als een inleiding op de tien (!) beeldessays die in het boek zijn opgenomen. Dat de namen van de tien fotografen (naast Filip Dujardin zijn dat Karin Borghouts, Marc De Blieck, Michiel De Cleene, Nick Hannes, Jan Locus, Arno Roncada, Johannes Schwartz, Dieter Telemans en Els Vanden Meersch) op de achterflap gebroederlijk prijken naast de namen van de tekstschrijvers zegt veel over de inzet van de redactie, die de architectuurfotografie blijkbaar als een volwaardig bestandsdeel van het boek wil behandelen, in plaats van als instrument om de tekstuele bijdragen te verluchtigen. De tien beeldessays (op uitnodiging gemaakt) waaieren uiteen in methodiek, beeldtaal en boodschap. De fotografen, niet allemaal werkzaam zijn als vakarchitectuurfotograaf, hebben de vrije hand gekregen, schrijft Siffer. De hoop was dat hun essays verschillende richtingen zouden aangeven waarin het vak zich kan bewegen.

Hoe bijzonder dat is, wordt duidelijk in de vergelijking met de Nederlandse architectuurjaarboeken. Welkom in Jaarboekland, waar de luchten altijd blauw zijn en de straten leeg, schrijft redacteur Anne Hoogewoning in de uitgave 2002-2003. Zeven edities later wordt deze rake karakterisering nog eens aangehaald door Anne Luijten (de Belgische lezer kan nu ten onrechte de indruk krijgen dat redacteuren van het Jaarboek op voornaam worden geselecteerd). Op geen enkele manier is in die editie (2009-2010) dit zelfinzicht echter omgezet in een structurele verandering. Nog steeds worden de geselecteerde bouwwerken vooral als pin-upgirls voorgesteld: zwoel in de lens kijkend, de gladde huid ondergedompeld in zonlicht. Architectuursoftporno, gemaakt om bij te likkebaarden.

Architectuursoftporno is ook aanwezig in het Architectuurboek Vlaanderen, maar spaarzaam. De meeste fotografen weten knap uit de fuik van de vakconventies weg te blijven. Onder de beeldessays bevinden zich enkele zeer intrigerende bijdragen. De vervreemdende kantoortaferelen van Dieter Telemans van collectief Nadaar bijvoorbeeld, die het kantoorgebouw Villa Voka in Kortrijk fotografeerde (Office Kersten Geers David Van Severen, Bureau Goddeeris Architecten). Op een andere manier spreekt de reeks van Els Vanden Meersch tot de verbeelding. Zij richtte haar camera op de twee torens van Diener & Diener op het Eilandje in Antwerpen. De bouwplaats op de voorgrond herinnert ons eraan dat gebouwen ‘gebouwd’ worden en niet opeens verschijnen – hetgeen je haast zou gaan geloven als je af gaat op foto’s in glossy tijdschriften en op tergend hippe designblogs.

Daar raken we de kern van het probleem. Architectuur kent in de meeste vakfotografie die wordt geproduceerd geen verleden, geen gebruik, geen omgeving. Het gebouw bevindt zich in een vacuüm van een eeuwigdurend nu. Eén moment – net na de oplevering en net voor de ingebruikneming – wordt tot eeuwigheid verheven. Dat soort fotografie voedt de gedachte dat architectuur tot stand komt in een soort onbevlekte ontvangenis, ja, in de wereld gezet is door een architect-god. Door in foto’s juist de aanloop (de bouw), het gebruik (de mensen) en de omgeving (de straat) te belichten, wordt een in mijn optiek interessanter beeld gevormd van wat architectuur is: de vormgeving van onze leefomgeving. Dergelijke fotografie erkent dat een gebouw betekenis krijgt door de handelingen en rituelen die erin uitgevoerd worden door mensen, en dat het gebouw zelf begroeid raakt met die nieuwe betekenissen.

Naar die verschillende vormen van ‘context’ (de aanloop, het gebruik en de omgeving) gaat veel aandacht uit in de fotografie in het Architectuurboek. Opmerkelijk genoeg geldt dat niet alleen voor de beeldessays – projecten die in betrekkelijke autonomie tot stand zijn gekomen – maar ook voor de rest van het boek waarvoor gebruik gemaakt is bestaande, commerciële fotografie. Het beeldmateriaal dat door de architectenbureaus is ingezonden is over het geheel genomen van hoge kwaliteit. Neem bijvoorbeeld een tweetal beelden waarop er in het glas van een deur flauwtjes een reflectie van de fotograaf zichtbaar is, waardoor de auteur – de god die normaliter onzichtbaar boven zijn schepping zweeft – opeens verschijnt in het beeldvlak. Vergis ik mij als ik stel dat je die speelsheid in Nederland nog niet aantreft?

Ik ben benieuwd in hoeverre de redactie doelbewust geselecteerd heeft op beelden die van de norm afwijken. Of is de norm in Vlaanderen daadwerkelijk anders dan in Nederland? Zou Siffer overdrijven wanneer hij stelt dat de ‘huidige generatie architecten … zich de kwaliteitszorg voor het fotografische beeld eigen [heeft] gemaakt’? Mocht het in het Architectuurboek opgenomen werk representatief zijn voor de Vlaamse architectuurfotografie, dan mogen we gerust stellen dat Vlaanderen daarin een paar stappen vooruitloopt op Nederland.

Fotografie van de gemeenplaats

Een beetje gewoontjes, zo typeerde ik zojuist het werk van Dujardin. Misleidend gewoontjes, want de foto’s zitten knap in elkaar. Dat etiket past op veel van de fotografie in het Architectuurboek. Niet op spektakel gericht, terwijl er wel stilletjes getart wordt met de regels van het genre. Misleidend gewoontjes.

Eigenlijk drentelt de fotografie daarin simpelweg de Vlaamse architectuurtheorie achterna – daarom sluiten de foto’s in het Architectuurboek zo prettig aan op de tekstuele bijdragen. De sleutel is het woord ‘gemeenplaats’, dat een centrale plek inneemt in het boek. In het dagelijks taalgebruik is gemeenplaats een pejoratief en staat het voor banaliteit, cliché, een té vaak betreden pad. (Ik neem hier gemakshalve aan dat het woord in Vlaanderen geen voor Nederlanders verborgen connotaties heeft.) In het Architectuurboek wordt het echter als een geuzennaam gevoerd, zoals al blijkt uit de ondertitel ‘Radicale Gemeenplaatsen’. (Over het tweede deel van de ondertitel, ‘Europese Architectuur uit Vlaanderen’, zullen we wijselijk zwijgen.) Daarmee zoekt de redactie aansluiting bij een notie van Geert Bekaert, die het woord in 1986 in het essay ‘Belgische architectuur als gemeenplaats’ introduceerde in de apologetiek van de architectuurconditie in zijn land. In die tekst bepleit Bekaert juist het alledaagse en ongeplande in de Belgische (of moeten we hier lezen: Vlaamse?) architectuur op waarde te schatten. ‘De Belgische architectuur staat midden in het leven. Ze verdwijnt niet achter mooie verhalen’, zo vat de schrijver in 1995 nog eens samen in de inleiding van het overzichtswerk Hedendaagse Architectuur: ‘Ze is de gemeenplaats bij uitstek.’

Het lijkt mij dat de gemeenplaats in het Architectuurboek wordt gebruikt als antwoord op de fixatie op iconische gebouwen die de afgelopen decennia het vertoog heeft gekleurd, ook in Vlaanderen. Bij verschijnen van het vorige Vlaamse architectuurboek klaagde de vernederlandste Belg Wouter Vanstiphout nog over de eenzijdigheid van de voorgeschotelde projecten: ‘De stilistische coherentie van de nieuwe gebouwen gaat in hand in hand met het marginaliseren en zelfs totaal ontkennen van het bestaande en het voorafgaande.’ Met de stilistische coherentie valt het in de nieuwste uitgave wel mee. Eerder spreekt uit de foto’s en teksten een aanvaarding van het caleidoscopische karakter van de Vlaamse ‘nevelstad’, die vernevelde, uitdijende vorm van verstedelijking waarbij de afstand tussen steden met lintbebouwing overbrugd wordt. De onsamenhangendheid van het straatbeeld , door Renaat Braem nog minachtend omschreven als een ‘zenuwslopende, de waardigheid kwetsende vormenkakofonie’, wordt als een gegeven geaccepteerd. Deal with it.

Bij een jaarboek als bloemlezing van Iconische Bouwwerken door Bekende Architecten past gelikte glamourfotografie. Bij een jaarboek dat de gemeenplaats en de nevelstad wil omarmen, past een fotografie die rauwer is, meer durft te laten zien, minder bang is voor lelijkheid en banaliteit en een gezond disrespect tegenover de regels toont. Maakt dat de fotografie die geschouwd wordt in het Architectuurboek ‘typisch Vlaams’ of ‘typisch Belgisch’? Bestaat die nieuwe Vlaamse school in de architectuurfotografie waarop ik in de titel zinspeel?

Natuurlijk niet. Zelfs het weinige dat ik heb gezien, is te divers om onder zo’n begrip samen te ballen. Natuurlijk worden er ook in Vlaamse architectuurpublicaties foto’s geplaatst die saai zijn, of middelmatig, of beide. Het Architectuurboek bevat daar eveneens voorbeelden van. Waarschijnlijk heb ik ook ten onrechte in het bovenstaande de impressie gewekt dat het met de Nederlandse architectuurfotografie reddeloos droevig gesteld is – dat is niet het geval. Daarbij komt nog eens dat niet elke foto mensen hoeft te bevatten of bouwsteigers of stedenbouwkundige ruis. Maar toch. Het vak kan zeker een nieuwe impuls gebruiken en een stoot zelfreflectie kan ook geen kwaad. Elke poging om de architectuurfotografie te bevrijden uit de kerker van het ‘eeuwige nu’ moet op onze instemming kunnen rekenen. De nieuwste editie van het Architectuurboek Vlaanderen doet een mooie aanzet daartoe.

Architectuur mag wel wat aan heiligheid inleveren en daar kan de fotografie een rol in spelen. Bij het schrijven van deze tekst moest ik herhaaldelijk denken aan een foto van Filip Dujardin van enkele jaren geleden. Daarop is het Cultureel Centrum te Soignies te zien, een elegant gebouw ontworpen door l’Escaut Architecture. Op de voorgrond, het valt nauwelijks op, doet een grote herdershond zijn behoefte op de trap van het fonkelnieuwe cultuurhuis terwijl het baasje toekijkt. Geen nood, zegt de foto, het is immers maar architectuur.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s