street-by-street

Publicatie | Het laatste restje publieke ruimte : De tragiek van stedelijke vernieuwing in Amsterdam Nieuw-West

Foto: Taf Hassam

Dit artikel is gepubliceerd in Groniek (2013) 196, pp. 311-322. Voor een geannoteerde versie verwijs ik graag naar die publicatie. Dit artikel is een bewerking van de langere, Engelstalige tekst ‘Bulletproof Glass. A Short History of Transparency, Public Space and Surveillance in Amsterdam Nieuw-West’, Reconstruction 12, no. 3 (2012), http://reconstruction.eserver.org/123/contents123.shtml, s.p.

Nieuw-West, een verzameling naoorlogse wijken aan de westkant van Amsterdam, verandert momenteel van een ‘open stad’ in een ‘gesloten stad’. Het grootste verlies van de grootschalige vernieuwingsoperatie is de publieke ruimte, betoogt Roel Griffioen. “Terwijl de stadsvernieuwers lippendienst bewijzen aan een ‘levende stad’ en de ‘open samenleving’, wordt het tegenovergestelde bewerkstelligd: een archipel van kleine private eilandjes voor de haves in een zee van have-nots.”

Niet lang geleden was het stadsbeeld van de Mondriaanbuurt kenmerkend voor heel Amsterdam Nieuw-West, de verzameling naoorlogse uitbreidingswijken ten westen van de ringsnelweg A10. Net als elders in het stadsdeel stonden hier de portiekgebouwen van vier verdiepingen hoog netjes in het gelid. De bebouwing was niet georganiseerd in gesloten blokken, zoals bij eerdere generaties woningbouw het geval was, maar in ‘stroken’ die losjes in de open ruimte geparkeerd waren. De stroken stonden gearrangeerd in patronen van grove, in elkaar grijpende winkelhaken. Tussen de haakvormen ontstonden zo enigszins besloten maar openbaar toegankelijke binnengebieden, waarin landschappelijke hoven waren aangelegd. Eigenlijk was het niet de bebouwing die hier het meest in het oog sprong, maar de ruimtelijkheid van dit stadslandschap. Je kan je iets indenken bij de woorden van toenmalig wethouder van Volkshuisvesting, J.J. van der Velde, die over de aanleg van Nieuw-West jubelde dat waar men vroeger een park maakte in de stad, men nu een stad bouwde in een park.

Nog steeds is de Mondriaanbuurt typerend voor Nieuw-West, maar op een totaal andere manier. Inmiddels ondergaat de buurt, zoals zoveel andere buurten in het stadsdeel, een totale gedaanteverwisseling. Vrijwel alle portiekflats zijn gesloopt. Op een groot braakliggend terrein verrijst achter de zandhopen, betonmolens en bouwketen voorzichtig de eerste nieuwbouw, na een door de crisis veroorzaakte bouwstop van enkele jaren. De nieuwbouw die aan weerszijden van de buurt al is gerealiseerd, laat zien wat de Mondriaanbuurt te wachten staat. Het beeld is binnenstebuiten gekeerd. Nu is de bebouwing het belangrijkste stedenbouwkundige ingrediënt, en niet langer de openbare ruimte. Verderop, aan de andere zijde van de Mondriaanstraat, is er een aantal portiekflats gehandhaafd. Maar door toevoeging van een stel kloeke nieuwe volumes zijn deze haken feitelijk omgetoverd tot gesloten bouwblokken. De ruimte zit binnenin opgeborgen en is niet langer openbaar, maar alleen toegankelijk voor de bewoners.

Van september 2012 tot en met november 2013 viert Amsterdam Nieuw-West dat het zestig jaar geleden is dat koningin Juliana hier de eerste woonwijk opende: Slotermeer. In het hele stadsdeel vinden er in een periode van zestig weken activiteiten plaats, variërend van lezingen en debatten tot rondleidingen en filmvertoningen. Het heeft iets wrangs dat ondertussen het stadsdeel zelf grondig vertimmerd wordt. Onder het vaandel van ‘stedelijke vernieuwing’ worden grote delen van dit modernistische stedenbouwkundige experiment, dat in Nederland qua schaal en ambitie zijn gelijke niet kent, gesloopt en herbouwd.

Voor deze grootschalige operatie – enkele jaren geleden werd Nieuw-West de grootste bouwput van Europa genoemd – zijn veel argumenten aan te dragen. De bebouwing, die vaak nog geen zestig jaar oud is, voldoet niet meer. Dat stellen de woningbouwcorporaties, die zich in deze stadsgebieden ontpopt hebben tot projectontwikkelaars. De woningen zijn te versleten of te verkrampt; de gevels te grauw, de bebouwing te monotoon. Doordat de ‘plinten’ te ‘gesloten’ zijn, hetgeen wil zeggen er op het niveau van de begane grond geen ramen zijn omdat daar zich de bergingen bevinden, is er te weinig controle op de straat. Dan is er ook nog de slechte reputatie waarmee het stadsdeel moet afrekenen. In 2007 werden de wijken die samen Nieuw-West vormen op de lijst van veertig ‘Vogelaarwijken’ geplaatst. Nieuw-West werd een synoniem voor misdaad, sociale onrust en zelfs religieus fundamentalisme; zowel Mohammed Bouyeri als enkele leden van de Hofstadgroep waren uit de wijk afkomstig. In 2003 noemde de toenmalige stadsdeelvoorzitter van Slotervaart (toen nog een stadsdeel, later met de omliggende stadsdelen opgegaan in Nieuw-West) die wijk expliciet een ‘getto’ en stelde dat ‘als er nu niets zou gebeuren, het over tien jaar een oorlogsgebied zou zijn’. Of Nieuw-West zich werkelijk in zo’n terminale staat bevond is maar de vraag. Het vooringenomen geloof dat dit inderdaad het geval is, is genoeg om een pakket schadelijke gevolgen te veroorzaken, zoals de socioloog Loïc Wacquant al over dergelijke processen van wijketikettering vaststelde.

Argumenten tegen de sloop-en-nieuwbouwoperatie zijn er ook in overvloed. Niet voor niets is de wederopbouwperiode eens bestempeld als ‘een stuk onbeschermd verleden’. In de afgelopen jaren zijn er wel serieuze erfgoedkundige taxaties van de waarde van architectuur en stedenbouw van Nieuw-West geweest, maar die worden door stadsvernieuwers stilletjes van het bureau geveegd. Ik ving eens op dat de directeur van het belangrijkste hoofdstedelijke erfgoedcentrum eens van een coöperatie te horen had gekregen: ‘Jullie komen de Ring A10 niet over.’ Langzaam komt er kritiek op gang, maar critici zien nog weinig mogelijkheden om tot de besluitvorming door te dringen. Gert Jan te Velde, een van de drie directeuren van Van Schagen architekten, een bureau dat in de afgelopen decennia naam maakte met intelligente renovatie- en transformatieprojecten in de wederopbouwwijken, klaagde in een interview dat ik in 2010 met hem afnam: ‘Stedelijke vernieuwing is een soort nietsontziende productiemachine geworden. De machine draait op volle toeren. En productie gaat vaak zonder reflectie.’ Over de naoorlogse stedenbouw en architectuur wordt vaak gesproken als een yesterday’s tomorrow, de fysieke erfenis van een tijd waarin we nog geloofden dat de toekomst met ‘doorzeefd schokbeton’ gebouwd kon worden. Wijken uit de jaren vijftig worden gezien als ruïnes van een gedateerde maatschappijvisie, die men daarom zonder gewetensnood kan slopen – niet als levende plaatsen die tijd gegund moeten krijgen om begroeid te raken met geschiedenis, om nieuwe lagen van gebruik en betekenis te verkrijgen.

In dit artikel wil ik geen strikt erfgoedkundige lezing van de problematiek verschaffen, maar in plaats daarvan de aandacht vestigen op een chronisch onderbelicht aspect in het debat, namelijk de sociaal-ruimtelijke gevolgen van de stadsvernieuwing. Zoals gezegd worden de naoorlogse woningbouwprojecten, met hun autonome patronen in de open ruimte, in een angstaanjagend tempo vervangen door gesloten configuraties, met gevelwanden die de straat volgen. Deze ingreep vindt niet alleen plaats op het niveau van het stadsbeeld, maar wijst op een dieper probleem. Het ideaal van de ‘open stad’ wordt ingeruild voor een meer pragmatische model dat ik graag de ‘gesloten stad’ wil noemen, een model dat gefundeerd is op andere concepties van burgerschap, privacy, toezicht en de publieke sfeer. In het laatste deel wil ik deze ontwikkelingen inbedden in wat de socioloog Zygmunt Bauman ‘urban space wars’ noemt: de strijd om ruimte die zich momenteel in zoveel steden in de wereld aftekent.

Tussen de dingen

De openbare ruimte in naoorlogse wijken zoals Nieuw-West ligt zwaar onder vuur. Die ruimte wordt vaak als problematisch beschreven en geassocieerd met criminaliteit, onveiligheid en onbeheersbaarheid. Vaak genoemde problemen zijn de mate waarin de openbare ruimte aanwezig is, het beheer ervan en de onduidelijke scheidslijnen tussen publiek, collectief en privé. De socioloog Arnold Reijnsdorp vatte de omslag in de waardering van de publieke tuinen en hoven in 1996 als volgt samen: ‘Vroeger was het groen van iedereen, tegenwoordig is het van niemand.’ Jacques Thielen, directeur van Far West, een conglomeraat van woningbouwcorporaties dat de hoofdrol speelde bij de transformatie van de naoorlogse wijken in Amsterdam, zegt: ‘Vijftig jaar geleden gaven de overvloedige open ruimtes in de Westelijke Tuinsteden het gevoel van vrijheid. Maar nu zorgen ze vooral voor angst en een gevoel van onveiligheid.’

Zoals men bepaalde teksten alleen kan begrijpen als men ‘tussen de regels leest’, is begrip van de verkaveling in hoven in bijvoorbeeld de Mondriaanbuurt alleen mogelijk wanneer men zich op de onbebouwde ruimte richt. Niet voor niets is dit oningevulde waarin de strookbebouwing zwemt wel eens de ruimte ‘tussen de dingen’ genoemd. In de moderne stedenbouw is ‘misschien wel het allerbelangrijkste streven om onbebouwd te laten,’ doceerde een handboek Planologie uit 1930. De Westelijke Tuinsteden – dat was de oorspronkelijke verzamelnaam van de wijken Slotermeer (1952), Geuzenveld (1954), Slotervaart (1955), Overtoomse Veld (1956) en Osdorp (1958), die nu samen Nieuw-West vormen – werden op een totaal andere manier verkaveld dan binnen de ring de regel was. Het bouwblok kreeg hier geen voet aan de grond. Daardoor openbaarden de wijken zich visueel op een totaal andere wijze dan de negentiende-eeuwse en zelfs vooroorlogse wijken dat deden. Bij deze eerdere generaties beperkte de ruimte zich voor het publieke oog tot de noodzakelijke uitsparingen tussen de bouwblokken, de straten en de pleinen – de stadsravijnen die Le Corbusier ‘rue corridor’ noemde.

De desintegratie van het bouwblok wordt in de architectuurhistorische literatuur doorgaans beschreven als een ontwikkeling die was ingezet in de negentiende eeuw toen men aandacht kreeg voor de volksgezondheid. Het doel was om de leefomstandigheden te verbeteren om meer ‘lucht, licht en ruimte’ het woonblok en de woning binnen te hevelen. De open stad kan echter ook begrepen worden als een stedenbouwkundige verbeelding van de ‘open samenleving’. Met het openbreken van het blok werd ook de harde begrenzing tussen de beslotenheid van het gezinsleven en de ‘vijandige’ buitenwereld geforceerd. De ruimte werd vloeibaar: de straat stroomde naar binnen het huis in en het huis spoelde naar buiten de straat op. De modernist Van Tijen schreef reeds in 1931 over de woonwijk:

‘De woning eindigt niet meer bij de voordeur om daar buiten een vijandige buitenwereld aan te treffen. […] De wijk ontwikkelt zich van een willekeurig conglomeraat, waarin alleen de rooilijn eenige orde schept, tot een organisch geheel van wonen, rusten, spelen, ontspanning, voeden en reinigen, werken en leeren.’

Het dominante beeld van de stedenbouw uit de jaren vijftig is dat toen elke grote of middelgrote stad een kraag van saaie slaapsteden omgespeld kreeg. De samenleving die planners middels hun ontwerpen wilden faciliteren, zou een cellofaanverpakte, steriele maatschappij zijn. Ten onrechte: in het denken van de volkshuisvesters nam pluralisme een belangrijke plek in. De wijk werd opgevat als een representatieve afbeelding van de samenleving als geheel. Of omgekeerd gezegd werd de wereld fysiek verkleind tot de schaal van de wijk – een voor de mens behapbare dimensie. ‘Een woonwijk behoort hiér geschikt te zijn voor arbeiders, dáár voor de kleine burger en intellectueel, hiér voor het gezin, dáár voor de alleenwonende; zij moet plaats bieden zowel voor het kind als voor de bejaarde en voor de volwassene,’ schreef Van Tijen tien jaar later in een studie hij opstelde met Maaskant, Brinkman en Van den Broek. Dit werd niet slechts in symbolische termen opgevat, als wensbeeld van een ideaalwijk, maar ook als een ruimtelijk model, als een demografische eenheid in een soort serieel en uitbreidbaar patroon.

In deze studie, Woonmogelijkheden in het Nieuwe Bouwen (1941), wordt de publieke ruimte voorgesteld als een soort stedelijke arena, de plek waar men geconfronteerd wordt met de ‘Ander’:
‘Op straat leert het kind de maatschappij kennen: het gevaar (de grote hond, de plagende jongen) en de wreedheid (de visvrouw) maar ook de kameraadschap, het avontuur en het sociale medelijden (de bedelaar). Hoezeer het gezin ook al altijd het eerste en de straat het tweede element in het kinderleven zal behoren te zijn, het kind, dat de ‘straat’ niet kent of niet aankan, groeit op in onmaatschappelijkheid.’

Snelkookpan

In de afgelopen decennia heeft Nieuw-West zich laten kennen als een snelkookpan voor stedelijke ontwikkelingen. In zestig jaar is de wijk getransformeerd van een trots symbool van de welvaartsstaat in de stedelijke opslagplaats van kansarmen. In het kort kan opgemerkt worden dat de influx van migrantengroepen de samenstelling van de bevolking sterk heeft veranderd. De eerste kleine groepjes gastarbeiders uit Zuid-Europa kwamen in de jaren zestig van de vorige eeuw, in de jaren negentig gevolgd door grotere groepen immigranten, voornamelijk afkomstig uit Marokko en Turkije. In sommige wijken vormen bewoners van Marokkaanse afkomst de grootste bevolkingsgroep (tussen de 30 en de 35 procent). Deze demografische ontwikkeling gaat gepaard met een groei van de armoede. Slotervaart heeft het hoogste aandeel minima van Amsterdam.

Het is tegen deze achtergrond dat de gemeentelijke overheid en de woningbouwcorporaties opteren voor het meest rigoureuze instrument dat zij voorhanden hebben: stedelijke vernieuwing. Stedelijke vernieuwing wordt verkocht als een probaat middel om sociaaleconomische en culturele verandering af te dwingen door het woningbestand van de wijk te vertimmeren. Fysieke stedelijke vernieuwing die betrekking heeft op de hardware van de stad wordt gezien als manier om sociaaleconomische vernieuwing van de software (de bevolking) te forceren. In sommige buurten wordt tussen de tachtig en de negentig procent van het bestaande woningbestand gesloopt. Stadsvernieuwing is dan een eufemisme voor stadsvervanging. Problematische buurten worden in de blinde sloop- en nieuwbouwdynamiek simpelweg vervangen door nieuwe buurten, zonder aandacht te schenken aan historische sedimenten of lokale karakteristieken van de plek. Dit soort kolossale, van bovenaf georganiseerde ingrepen wijzen op hetzelfde geloof in social engineering dat men de volkshuisvesters uit de jaren vijftig juist verwijt. De ‘machine’ dendert voort.

De sloop- en nieuwbouwoperatie is dus meer dan slechts de opwaardering van het woningbestand van een buurt of de sanering van een bulkpartij gedateerd onroerend goed. Voormalig stadsdeelvoorzitter van Slotervaart Goettsch gaf in 2003 toe dat aan de huizen weinig mankeert en dat de sloopplannen vanuit ‘maatschappelijk oogpunt’ gemaakt waren. Merijn Oudenampsen heeft eens treffend geanalyseerd hoe deze plannen in Nieuw-West gelegitimeerd worden middels zogenaamde SWOT-analyses (Strengths, Weaknesses, Opportunities, Threats), een methode overgewaaid uit het bedrijfsleven. De locatie wordt daarin vaak als ‘strength’ aangewezen, en de bevolking als ‘weakness’. De teneur van dit soort rapporten is, in Oudenampsens woorden: ‘Een gebied met volop mogelijkheden, […] alleen jammer van die bewoners.’

De modernistische ruimte van de jaren vijftig was ten diepste inclusief. Het was een ongedeelde, doorlopende ruimte, bewoond door verschillende sociale groepen. Dit kan overal in Nieuw-West nog worden opgemerkt. Zogenaamde doktersvilla’s, bedoeld voor de hogere middenklasse, staan pal naast portiekflats voor de arbeidersklasse en lagere middenklasse. Flats voor vrijgezellen zijn naast eengezinswoningen en gelijkvloerse woningen voor bejaarden geplaatst. De gebouwen maken deel uit van dezelfde optische ruimte, om te onderstrepen dat de verschillende groepen deel uitmaken van de dezelfde sociale ruimte. Niet voor niets heette een invloedrijke stadssociologische studie uit de jaren vijftig Ons deel in de ruimte.

Als de ruimte van Nieuw-West ontworpen is om inclusief te zijn, dan is de ruimte van Nieuw-Nieuw-West bedoeld om exclusief te zijn. De overgebleven ruimte wordt ‘gedomeiniseerd’, zoals het in beleidsstukken heet. Dit is plannersjargon voor een ingrijpende reorganisatie van de ruimte, waarbij duidelijke grenzen worden getrokken tussen privaat en publiek met als oogmerk om de omgeving veiliger en ‘leefbaar’ te maken. Wat ‘domeinisering’ in de praktijk betekent, wordt duidelijk in de talloze nieuwbouwprojecten in dit gebied. De ‘open’ stad van weleer wordt dichtgeweven. In de nieuwbouw worden vrijwel alleen maar gesloten woningbouwtypologieën toegepast: opgewarmde versies van het berlagiaanse blok (een typologie gepopulariseerd door H.P. Berlage na de Eerste Wereldoorlog), het middeleeuwse hof, de stadsstraat. De nieuwe woontypologieën staan met hun rug naar de maatschappij toegekeerd.

Dit is wat de socioloog Zygmunt Bauman beschreef als de opkomst van ‘chains of thinly, but widely spread mini-utopias consolidated into realities’ of ‘an archipelago of pre-fabricated islands of pre-designed order’ in het stedelijke weefsel. Op zoek naar stabiliteit in een steeds onstabieler wordende wereld, maken de gepriviligeerden gebruik van ‘barrier strategies’, schrijft Bauman: ‘Safety, like all other aspects of human life in a relentlessly individualized and privatized world, must be a ‘do-it-yourself’ job.’ De wooneilanden symboliseren het afscheid van de straat, van de publieke sfeer, aldus Bauman. ‘Rather than struggling to reform the street, let’s cut ourselves free from its hazards, run for shelter and lock the door behind.’

De oorzaak en de impact van domeinisering laten zich het beste begrijpen door dieper te kijken in Baumans ideeën over ‘urban space wars’. Instabiliteit en onzekerheid zijn intrinsieke eigenschappen van de economische, sociale en politieke texturen van onze tijd. Iedereen voelt deze terminale staat van flux, maar sommigen zijn beter in staat om de golven van de continue verandering te berijden dan anderen. In lijn met Manual Castells’ notie van de Network Society, maakt Bauman een onderscheid tussen een hoge rang die aangesloten is op een grenzeloos net van communicatie en uitwisseling van kennis en geld, en een lage rang die gekoppeld is aan gesegregeerde, lokale netwerken. Leden van de bovenste rang, wier relaties en verantwoordelijkheden ‘extraterritoriaal’ geworden zijn, zijn niet langer veroordeeld tot een ‘habitat’, een plaats met specifieke coördinaten. Maar hun mobiliteit is een privilege; leden van de tweede groep zijn ‘veroordeeld tot lokaliteit’, zoals Bauman het uitdrukt. Hun identiteiten zijn misschien gemodelleerd naar voorbeelden van ver weg, maar uiteindelijk zijn zij diep geworteld in de geografie van de lokale leefomgeving, een concreet gebied. Leden van de mobiele klasse zijn ‘in een plaats’, maar ‘niet van de wereld’, zoals Bauman het bekende Bijbelse gezegde parafraseert. Voor hen is er altijd een vertrekstrategie voorhanden. Voor leden van de ‘immobiele klasse’ is de conditie van de directe leefwereld echter van vitaal belang, omdat dit het decor is waartegen de rest van hun leven zich waarschijnlijk zal afspelen. Bauman: ‘For them, it is inside the city they inhabit that the battle for survival and a decent place in the world is launched, waged, won or lost.’

Deze twee rangen zijn gesegregeerd. Lot, toekomst en verantwoordelijkheid nemen in deze twee verschillende werelden tegenovergestelde ruimtelijke vormen aan. Toch kunnen de twee leefwerelden in elkaars nabijheid bestaan. Domeinisering is het resultaat van een poging om Nieuw-West te herbevolken met mensen die tot de bovenste rang behoren. Hun default mode is een soort vrijblijvendheid ten opzichte van lokaliteit, hoewel die vrijblijvendheid desgewenst kan worden omgezet in betrokkenheid. De omgeving hoeft van hen niets te verwachten, omdat zij niets van de omgeving verwachten. Deze territoriale vrijblijvendheid uit zich in de segregatie van ruimte en de constructie van architecturen die erop gericht zijn buiten te sluiten. Bauman noemt dit ‘mixofobie’ (‘mixophobia’): ‘A highly predictable and widespread reaction to the mind-boggling, spine-chilling and nerve-breaking variety of human types and lifestyles that meet and rub elbows and shoulders in the streets of contemporary cities’.

Mixofobie presenteert een alternatieve vertrekstrategie waarbij het verlaten van de plaats niet vereist is. Het is een huiselijke ontsnappingsmogelijkheid – je vlucht simpelweg naar binnen en barricadeert de deur.

Jeuk

Terwijl Nieuw-Nieuw-West zich gestaag ontwikkelt binnen Nieuw-West, nadert de metamorfose van de ‘open stad’ in de ‘gesloten stad’ haar voltooiing. De hang naar een gesloten verkaveling komt voort uit een angst voor de ‘Ander’, een weerzin tegen onaangekondigde confrontaties met de onbekenden, een nadrukkelijke wens om buitenstaanders daadwerkelijk buiten de deur te houden. Het is een wereld- en werkelijkheidmijdende wens: men betrekt een enclave en sluit zich af van de wereld die wordt vereenzelvigd met gevaar, animositeit en overlast.

Het grootste verlies dat optreedt in dit proces is het verlies van een goed functionerende publieke ruimte. Domeinisering is geen medicijn tegen stedelijke onzekerheid, maar slechts een palliatief. Het stedelijke vernieuwingsprogramma in Nieuw-West neemt de jeuk misschien weg, maar de ziekte blijft dooretteren. Ik volg Bauman in zijn veronderstelling dat de voorgestelde behandeling pathogenisch is en de problemen enkel dieper en resistenter maken. Door met afscheidingen afgezette habitatten verminderen de persoonlijke verantwoordelijkheden en wordt onze relatie met de omgeving ondermijnd. Zo nemen we de ‘continue, bijna subliminale interactie met vreemden’ weg die zo bij het stadsleven hoort. Met andere woorden: mixofobie leidt tot meer mixofobie.

Hoe serieus de nietsontziende stadsvernieuwingspraktijken in Nieuw-West ook mogen zijn, voor de liefhebber van wrange humor valt er misschien toch wat te halen. De zelfverdediging van het vernieuwingsapparaat bevat een interessante, newspeak-achtige knoop. Men vernietigt de openbare ruimte die nodig is om publiek leven te faciliteren, maar doet dit onder het voorwendsel dat het publieke domein juist nieuw leven wordt ingeblazen door demografische diversiteit te bevorderen. Niemand zal bezwaar maken tegen het toekomstbeeld van een vrolijke, bruisende, gemengde woonwijk, dat middels smakelijke computer-gegenereerde plaatjes in talloze brochures wordt opgedist. Met dit doel (het bevorderen van culturele en sociaaleconomische diversiteit) is weinig mis, met de middelen (de sloop van complete buurten en vervanging van open door gesloten bebouwing) in mijn optiek des te meer. De vraag of het doel dit soort rigoureuze middelen heiligt is relevant en moet gesteld worden, maar men kan zich zelfs afvragen of het doel in dit geval niet verzonnen is ter rechtvaardiging van de middelen. Terwijl de stadsvernieuwers lippendienst bewijzen aan een ‘levende stad’ en de ‘open samenleving’, wordt het tegenovergestelde bewerkstelligd: een archipel van kleine private eilandjes voor de haves in een zee van have-nots. Twee werelden die hetzelfde territorium delen, maar blind voor elkaar zijn.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s