lumiere

Opinie | Decademia

Door Roel Griffioen en Jesse van Winden.

Een geannoteerde versie van dit artikel verscheen als ‘Decademia. Studeren aan de Potemkinuniversiteit’, in: Jelle van Baardewijk en Ad Verbrugge (red.), Waartoe is de universiteit op aarde?, Amsterdam: Boom, 2014. Een verkorte versie verscheen onder de titel ‘Nonderwijs’, in: NRC Handelsblad, 31 mei 2014, Opinie & Debat, pagina 4, en op de NRC-website.

In Holland wordt verstand noch wetenschap geacht.
Geleerdheid zonder geld zal niemands gunst daar winnen.
Anoniem, Hollands ontaarding, 1728

Als studenten merken we steeds scherper, steeds vaker, en in steeds meer opzichten dat het academisch onderwijs achteruit holt. Gerichte en gedegen vakopleidingen worden samengesmolten en aangelengd tot massaal ‘nonderwijs’, waarbinnen de verwachtingen laag zijn, ambitie en initiatief worden ontmoedigd, en de ruimte voor persoonlijk contact met de wetenschappelijke staf tot een nulpunt is geslonken. Het doel is allang niet meer om studenten op te leiden maar om afgestudeerden af te leveren.

Maar blijkt uit harde cijfers niet juist dat het goed gaat met de Nederlandse universiteiten? Internationaal doen we heel behoorlijk mee, zo zien we in de gezaghebbende rankings die met trots in de studiebrochures gerecycled worden. Maar let op, de meeste rankings hebben geen specifieke scores voor onderwijs. Zij beoordelen vooral op basis van onderzoek, citaties, en het aandeel van de inkomsten uit de ‘derde geldstoom’ (particuliere investeringen). En als we kijken naar een van de weinige lijsten waar de kwaliteit van het onderwijs specifiek aan bod komt, de Times Higher Education Ranking, blijkt Nederland het helemaal niet zo goed te doen. Alle universiteiten in de top 200 van 2013-2014, met uitzondering van Delft, scoren van alle categorieën het slechtst op onderwijs. De onderwijsscores van Nederlandse universiteiten treffen we ‘steevast onderaan de lijsten’ , schreef Maartje ter Horst in De Volkskrant. Ze rekent voor dat de gemiddelde score van Nederlandse universiteiten ‘ver onder het gemiddelde van de rest van Europa ligt’.

Wat is er aan de hand? Voor de financiering is het voor de universiteiten van vitaal belang dat zoveel mogelijk eerstejaarsstudenten zich aanmelden en dat er zoveel mogelijk afstuderen. Dat betekent dat brede, lekker bekkende maar rammelende bachelors worden aangeboden om een zo groot mogelijke doelgroep van keuzestressscholieren aan te trekken. Ten tweede betekent het dat faculteiten geld krijgen voor iedere afgestudeerde student, geld dat – zo krijgen we telkens ingeprent – simpelweg keihard nodig is. Het ongelooflijke is waar: universiteiten hebben in dit doorgeslagen systeem baat bij een laag onderwijsniveau. Het financieringsmodel stimuleert confectieprogramma’s voor confectiestudenten.

Het bestaan van pretprogramma’s zou niet zo erg zijn als ze aangeboden zouden worden naast bestaande opleidingen. Dat is niet het geval want in de strijd om studentenaantallen geldt ‘the survival of the biggest’: de kleintjes worden het eerste opgegeten. Immers, de grootte van de ‘eerste geldstroom’ (direct van de overheid) is afhankelijk van het marktaandeel van het totale aantal studenten in Nederland. Faculteitsbesturen wijzen beschuldigend naar boven, naar het universiteitsbestuur. Die wijzen naar het overheidsbeleid, dat statistische modellen inschaalt boven kwaliteitsmaatstaven. De overheid wijst ook weer weg, naar de zweep van Brussel, of naar de belastingbetaler die geen elitair geouwehoer meer zou accepteren. Iedereen wijst weg, en ondertussen zet het verval door. Door dit valse determinisme worden tegengeluiden gemakkelijk gesmoord, zoals Willem Halffman en Hans Radder onlangs lieten zien in het artikel Het Academisch Manifest. Voorgestelde alternatieven – zie hun pleidooi voor een ‘publieke universiteit’ – worden bij voorbaat afgedaan als irreëel en naïef.

Studeren is op deze manier niet alleen steeds minder leuk, het heeft ook steeds minder zin. De droom is dat in de containerbachelors topstudenten met een wijde horizon worden opgeleid. In werkelijkheid worden eerstejaars twee dagen per week op overvolle, onpersoonlijke colleges verwacht. Het risico op kwaliteitsverlies bij de bachelorreorganisatie op de Vrije Universiteit (VU) in Amsterdam was voor kunsthistoricus Wouter Davidts reden om zijn hoogleraarschap op te geven: ‘Ik kon goed onderwijs niet meer garanderen’, stelt hij desgevraagd. ‘Eigenlijk ben ik opgestapt omdat ik niet langer mijn toekomstige collega’s kon opleiden.’

Voor een aan de bovengenoemde universiteit gelieerd wetenschappelijk kunsthistorisch tijdschrift, waaraan wij verbonden zijn, leidt de uitholling van het onderwijs door het verdwijnen van vakopleidingen tot bizarre situaties. Zo kan het zijn dat het tijdschrift binnen afzienbare tijd op de eigen universiteit nauwelijks nog nieuwe redactieleden kan werven. Natuurlijk zijn er nog ambitieuze en talentvolle studenten te vinden in de brede bachelor, maar die hebben dikwijls het gevoel dat ze elk specialistisch inzicht ontberen omdat ze een opleiding volgen waarin een soort stamppot van de verschillende disciplines wordt gemaakt. De Nederlandse universiteiten sturen straks een teleurgestelde generatie borrelpraatwetenschappers, bang voor ideeën en opgeleid in van alles een beetje, de grote boze banenwereld in. Zit de arbeidsmarkt werkelijk te wachten op studenten met een – in de woorden van Roos van Rijswijk – ‘Master of Fucking Everything’? Actiegroep Titanic legde de vinger op de zere plek toen het tijdens de bezetting van de VU in maart diploma’s uitdeelde waarbij ze studenten ‘feliciteren met het behalen van de gestelde doelen, waarbij je geen vaardigheden hebt ontwikkeld of onderzoek leert doen, maar wel past binnen het financiële model’.

De tendens om de universiteit als bedrijfssector te zien, is niet meer voorbehouden aan bestuurslagen. De zesjescultuur zit niet alleen in de hoofden van ongeïnspireerde studenten. De mentaliteit heeft zich volledig ingenesteld in het functioneren van de universiteit zelf: de hoofden van het wetenschappelijk personeel. Als redacteurs van het eerder genoemde tijdschrift werden we uitgenodigd om voor eerstejaars bachelorstudenten een deel van een werkcollege over wetenschappelijk publiceren in te vullen. Na afloop kwam een professor naar ons toe, hij vond dat we een goed verhaal hadden, maar had kritiek op onze inschatting van het niveau van de studenten. Het woord ‘alumnus’ zou bijvoorbeeld niet aan hen besteed zijn, dacht hij, en van het concept ‘voetnoten’ hebben ze geen flauw idee. Niet alleen spiegelt een professor zich blijkbaar aan een niveau dat afgestudeerde vwo’ers zeker zouden moeten overstijgen, veel erger is dat hij kennisoverdracht, de dagelijkse praktijk van het ‘scholen’, blijkbaar niet meer haalbaar acht.

Studenten zijn tegenwoordig ongemotiveerder dan ooit tevoren, horen we vaak. Dat is goed mogelijk, maar dat is niet verwonderlijk als zelfs professoren geconditioneerd zijn om zo min mogelijk van studenten te verwachten. Voor de duidelijkheid: we scharen ons niet achter die ridicule ‘Academic Excellence’-obsessie van de afgelopen jaren. Beleidsmakers die likkebaarden bij het beeld van de elitaire pleisterplaatsen van geld en toptalent in de Angelsaksische wereld, miskennen de kracht van onze eigen universiteiten: toegankelijkheid, ongeacht afkomst of bankbalans. Wij geloven sterk in de publieke universiteit, maar betreuren dat die niet meer het perspectief van sociale aspiratie biedt. Dat de drempel van de universiteit laag is, is goed, maar dat het plafond dat tegenwoordig ook is, is beklagenswaardig. De twee academische populaties zijn hieraan beide medeplichtig: de moe-gemanagede docenten duwen het naar beneden en ingedutte studenten duwen het niet omhoog.

Ook hier ligt de sleutel in onze optiek in het jammerlijke feit dat inhoudelijke criteria door kwantitatieve modellen zijn vervangen, zoals diplomatargets. De premie voor afgestudeerde studenten leidt tot het doelbewust eenvoudig houden van colleges en het veel te positief beoordelen van zwakke studenten. Docenten politicologie bij de Universiteit van Amsterdam krijgen zelfs uitbetaald per goedgekeurde scriptie, zo bracht Folia aan het licht, het weekblad van de UvA en HvA. Een manager geeft aan tegen welke achtergrond docenten, afhankelijk van hun salarisschaal, minstens 500 euro per scriptie krijgen: ‘We moeten wel geld hebben om docenten mee te kunnen betalen en dat krijgen we alleen binnen wanneer onze studenten afstuderen. Betaling naar prestatie zul je dus meer en meer gaan zien op de universiteit.’ ‘Presteren’ betekent ‘laten afstuderen’ en andere vormen van statistieken spekken, zoveel is duidelijk. Het daadwerkelijk vergaren van kennis is daarentegen gedegradeerd tot een facultatief programmaonderdeel, verbannen naar speciale ‘honoursprogramma’s’, talentenklasjes en andere ambitieghetto’s binnen de ‘Diplomafabriek’, om een woord te gebruiken waarmee Rutger Bregman de nieuwe universiteit onlangs typeerde.

Academia nieuwe stijl is ‘decadent’, in de zin dat het verval niet enkel getolereerd, maar op een perverse manier gevierd wordt. Natuurlijk is hoopvol dat het onderzoek aan Nederlandse universiteiten zo hoog wordt aangeslagen, we studeren blijkbaar aan universiteiten waar veel kennis wordt opgedaan, geproduceerd en geëxporteerd. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat het aantal publicaties de afgelopen tien jaar van 54.000 naar meer dan 70.000 is gestegen. Tegelijkertijd echter, is het aantal docenten met 13 procent afgenomen, terwijl het aantal studenten juist explosief is gestegen, met 48 procent. Het mag geen verrassing heten: voor de overgebleven stafleden neemt de werkdruk toe en zijn zelfhandhaving en het halen van (ongeschreven) publicatiequota urgenter geworden dan het leveren van goed onderwijs. Het past in het droombeeld van de Universiteit van Morgen als een soort flexibel agentschap dat kwantitatief kennis harkt en op maat verpakt om zo zijn bestaan te legitimeren.

Na een grondige ‘make-over’ van het hoofdgebouw is deze radicale verschuiving in de taakstelling van docenten en onderzoekers op de VU zelfs voelbaar in de architectuur. De wetenschappelijke staf is weggesegregeerd naar een voor studenten ontoegankelijke flexwerkkantoortuin. Achter een soort koorhek – de architecturale afscheiding die in kerken het priesterkoor moest afschermen van het gepeupel – wordt van de docenten en onderzoekers een lachwekkende graad van onthechting gevraagd, omdat het voor niemand is toegestaan een boekenkast te hebben of een vaste rustige ruimte te claimen. Het is maar zeer de vraag of deze boekenarme kaasstolp het wetenschappelijk onderzoek ten goede komt. Zeker is dat de herstructurering voor de student een stap achteruit betekent. De benaderbaarheid van het wetenschappelijk personeel is een belangrijke meerwaarde van kleine studierichtingen – een waar wij, langstudeerders, nog volop van geprofiteerd hebben – maar helaas verleden tijd geworden nu er tussen docent en student een grenspost is geplaatst. Een student met een afspraak moet door de docent bij met pasjes ‘beveiligde’ deuren opgehaald worden. In een gebouw dat direct na het magische jaar 1968 ontworpen werd om de eis naar meer academische transparantie en toegankelijkheid te recupereren, sta je tegenwoordig in een sluis tussen twee liften en twee glazen deuren te wachten tot de docent je komt bevrijden. Bonjour tristesse.

Als het tij niet keert, studeren wij straks aan een Potemkinuniversiteit. Naar buiten toe staat de indrukwekkende gevel nog fier overeind. De rankings zijn hoog en de studentenaantallen stijgen; de publicatiestroom taant niet, ondanks het afgeslankte corps van onderzoekers; er worden succesvolle publiek-private dwarsverbanden gecreëerd en lijnen gelegd naar de samenleving en het bedrijfsleven; er zijn ambitieuze fusieplannen en investeringen in staal, steen en glas. De gevel blinkt als nooit tevoren. Daarachter liggen de overblijfselen van wat ooit een kennisinstelling was.

Waar we allemaal niet bij gebaat zijn — studenten, docenten, onderzoekers, maar ook het ministerie van OCW — is een beleid dat het weinige geld dat er is ‘zo eerlijk mogelijk verdeelt’ vanuit een efficiencymodel. Wat we nodig hebben, is een ander beleid. Een beleid dat de managementcultuur als universiteitsvreemd beschouwt. Een beleid dat het ‘risico’ neemt om voor inhoud en kwaliteit te gaan, de onderwijstaak uit de marge haalt en weer in het hart plaatst. Een beleid dat het aandurft om eisen te stellen aan studenten zodat het potentieel van al die studenten die echt een universitaire titel verdienen niet verkwanseld wordt, zoals nu gebeurt.

zie ook: http://visualartsmediaarchitecture.wordpress.com/2014/05/31/debate-on-the-university/

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s