2

Publicatie | De Frontlinie. Precariteit en gentrificatie in de Creative Stad

Beeld: Bent Vande Sompele

In december verschijnt dan eindelijk de door mij geredigeerde publicatie De Frontlinie. Precariteit en gentrificatie in de Creative Stad, een bundeling van teksten waarin ik samen met andere auteurs probeer een brug te slaan tussen discussies over precariteit, de economisering van cultuurbeleid en het steeds pregnantere gentrificatiedebat, om zo een tegenwicht te bieden aan alle doorzonbetogen over de vermeende zegeningen van de Creatieve Stad. De publicatie verschijnt eigenlijk in drievoud: als boek, als gratis e-publicatie en als website waarop ook andere bijdragen over precariteit en gentrificatie verzameld zullen worden. Hieronder vast, als voorproefje, een deel van het eerste, introducerende hoofdstuk van de publicatie.

De Precaire/Creatieve Stad

A standard way of relating politics to art assumes that art represents political issues in one way or another. But there is a much more interesting perspective: the politics of the field of art as a place of work. Simply look at what it does – not what it shows.
Hito Steyerl, 2010[1]

In tegenstelling tot de oude machtsregel waarbij in ruil voor bescherming gehoorzaamheid werd verlangd, kenmerkt het neoliberale regeren zich vooral door sociale onveiligheid, door het regelen van een minimale afscherming bij een tegelijkertijd alsmaar toenemende onzekerheid.
Isabell Lorey, 2016[2]

Wie in de culturele sector werkt, kent de verhalen over onbetaald werk en uitbuiting. Over het bureau van de bekende modeontwerper dat draait op vijftien stagekrachten en twee werknemers. Bij een show in het buitenland wordt die stagiair(e)populatie nog eens aangevuld met extra wegwerpexemplaren. Ze krijgen geen vergoeding en dienen hun eigen reis en verblijf te regelen en te betalen. Maar ze doen natuurlijk wel een pak ervaring op.

De regelmaat waarmee dergelijke verhalen opduiken is veelzeggend. De culturele sector lijkt op stagekrachten te draaien. En dat geldt niet alleen voor het commerciële circuit van modehuizen, galeries, architectuur- en grafisch ontwerp-studio’s. Van verschillende publieke instellingen is bekend dat ze een even intensief publieksprogramma draaien als voor de serie cultuurbezuinigingen van de afgelopen jaren, terwijl er nog maar één derde van de staf werkzaam is, aangevuld met een roulerend bataljon stagiair(e)s en vrijwilligers. De instituties brokkelen aan de achter- en onderkant af, hoewel de façades nog glimmen als weleer.

Je kunt je er iets bij voorstellen: instellingen moeten overleven en zich blijvend onderscheiden om de laatste subsidierestanten te waarborgen. Maar het effect is averechts. Terwijl deze organisaties zich alleen maar kunnen handhaven door roofbouw te plegen op een brede onderlaag ambitieuze jonge mensen, wordt naar de buitenwereld toe met terugwerkende kracht de rabiate cultuurbezuinigingspolitiek van Halbe Zijlstra gelegitimeerd, die handenwrijvend vaststelt dat het inderdaad allemaal met minder af kan.[3]

Het venijn zit ‘m in de normalisering van de ‘alles voor niets’-cultuur. Buiten de publieke instellingen om was in de culturele sector het gratis werk al eerder ingeburgerd. Een beginnend kunstenaar, ontwerper of schrijver over kunst krijgt zo vaak het verzoek om werk te leveren of te verrichten in ruil voor ‘ervaring’ of ‘exposure’ dat er allang geen alarmbellen meer gaan rinkelen. Zorgwekkend is dat is dat in onze tijd zelfs een instituut als het Rijksmuseum, dat toch bepaald geen kwijnend bestaan leidt, een vacature verspreidt voor een ‘onbetaalde baan’ tot 36 uur per week.[4] Het aantal werkzame vrijwilligers bij musea is sinds 2005 met 58% gestegen.[5] Ook bij grote musea en gereputeerde presentatie-instellingen is het niet meer altijd gebruikelijk om jonge makers en denkers een vergoeding aan te bieden voor hun werk. De teneur is dat mensen aan het begin van hun loopbaan een dergelijke opdracht als een gunst moeten ervaren. Publieke instellingen kopen zichzelf zo binnen in een vuil systeem dat uitbuiting en werkverdringing stimuleert en roofbouw camoufleert.

Onzeker werk en een laag inkomen zijn voor de aantredende generatie cultuurprofessionals de norm, zoals onlangs werd gestaafd in het rapport Verkenning arbeidsmarkt culturele sector (2016), uitgevoerd door de Sociaal-Economische Raad en de Raad voor Cultuur.[6] Gemiddeld verdienen afgestudeerden in de autonome beeldende kunst 880 euro per maand. Bruto, welteverstaan. Banen en regelingen verdwijnen en het aantal schijnzelfstandigen neemt explosief toe. Kunststudenten en aspirant-architecten krijgen al op de academie ingepeperd dat je jezelf moeten kunnen opofferen, dat je moet laten zien dat ‘je het echt wilt’, dat toewijding en zelfuitbuiting de belangrijkste ingrediënten van succes zijn. Jonge kunstwetenschappers rijgen voor en na het behalen van een diploma de stages en ervaringsplekken aaneen in de hoop ergens te kunnen aanhaken, terwijl die aanhaakplekken juist verdwijnen omdat ze goedkoper met stagiaires gevuld kunnen worden.

Deze ontwikkelingen – verdringing op de arbeidsmarkt, de toename van onzeker werk – zijn allerminst exclusief voorbehouden aan de culturele sector. In de meest uiteenlopende beroepsdomeinen zijn dezelfde mechanismes zichtbaar, van de ambtenarij, de zorg, journalistiek en media, de post, het onderwijs en de wetenschap, tot de reclamewereld en de lage financiële dienstverlening. De verschijnselen zijn telkens hetzelfde: de flagrante toename van onderbetaald of zelfs onbetaald werk ten koste van reguliere arbeidsplaatsen; het eindeloos schakelen van stages en werkervaringsplekken; het steeds verder uitdijen van de flexibele schil bij bedrijven, instellingen en organisaties. Deze ontwikkeling loopt parallel met de flexibilisering van de arbeidsmarkt. Een recent rapport van het Centraal Bureau voor de Statistiek over de flexibilisering van de arbeidsmarkt laat zien dat het aandeel vaste arbeidsrelaties tussen 2004 en 2014 is gedaald van 72 naar 61 procent. In diezelfde periode is het aandeel flexwerkers (van 15 naar 22 procent) en zzp’ers (van 8 naar 12 procent) scherp toegenomen.[7] Achter die cijfers bevindt zich ook nog een verborgen wereld van gestapelde halfjaarcontracten, payroll-arrangementen, uitzendwerk, onbetaalde stages en schijnondernemerschap.

De culturele sector loopt echter wel voorop. De groei van het aantal zelfstandigen is in deze sector twee keer zo hoog als in de economie als geheel.[8] Op een cynische manier wordt zo de wens om een avant-garde te zijn, een voorhoede van vernieuwing, bewaarheid in de economie. De generatie jonge creatieve professionals – kunstenaars en culturele beeldschermwerkers zoals grafisch vormgevers, schrijvers en critici, maar ook dansers, acteurs en musici – die het veld betreedt nu ondersteuningsregelingen zijn afgeschaft en de bezuinigingen vooral de onderste lagen van de institutionele piramide hard hebben geraakt, is een proefgroep van the shape of the economy to come. Niet voor niets wordt door sociologen vastgesteld dat de kunstenaar eigenlijk de ideaaltypische neoliberale werknemer is: wendbaar, buigzaam, mobiel, creatief – zie het interview met Pascal Gielen dat in deze publicatie is opgenomen.[9] Arbeidsvormen waarmee kunstenaars al geruime tijd bekend zijn, zoals projectmatig en ambulant werk en onregelmatigheid in inkomsten en werktijden, dringen door tot het hart van onze economie. De kunstenaar, die sinds de Romantiek als maatschappelijke en economische randfiguur te boek stond en in de twintigste eeuw school maakte als tegenstrever van standaardisering en Tayloristisch management, vindt zichzelf plots in de situatie dat hij naar voren wordt geschoven als de emblematische figuur van het nieuwe kapitalisme.[10]

In de creatieve loopgraaf

Hoe manifesteert zich deze flexibiliseringsvoorhoede in de stad? Er zijn boeken vol geschreven over de creatieve stad, de stedelijke “creatieve industrie”, en over het belang van “creatieve klasse” in het economisch welslagen van de stad. Zelden echter gaat het over de producenten van die creativiteit, en zeker niet over low-tier cultuurproducenten: het aanzwellende reservoir precaire beeldschermwerkers, draaideurstagiaires, galeriehulpjes, oproep-productieassistenten en beeldmaker-cum-barista-cum-bruiloftfotografen. Wat zoeken ze in de stad en wat voegen zij eraan toe? Waar is hun werk gesitueerd en waarom daar? Waar woont in een steeds duurder wordende stad de “creatieve onderklasse”?[11] En onder welke voorwaarden? Hoe betalen zij de huur?

De inzet van deze publicatie is te laten zien hoe deze economische voorhoede-tegen-wil-en-dank ook een stedelijke ‘voorhoede’ is. Als in een recent symposium wordt gesteld dat de kunstenaar vandaag de dag vaak een ‘gebiedsverkenner’ is, dan hoeven we dat niet spreekwoordelijk op te vatten.[12] Werkmogelijkheden voor kunstenaars zijn steeds minder vaak te vinden in de stadscentra en steeds vaker langs de frontlinie van gentrificatie- en stadsvernieuwingsprocessen, of het nu is in de vorm van gemeenschapskunst- en ‘social design’-projecten, broedplaatsen in de stedelijke periferie of antikraak-woon-werkconstructies voor jonge creatieven in kwijnende woonwijken of door leegstand geteisterde winkelgebieden. Wat is de verklaring voor deze beweging van kunst en creativiteit van het centrum naar de periferie?

Als antwoord op die vraag worden vaak de bekende boutades opgedist over de romantische “roep van de rafelrand” en de aantrekkingskracht van plekken waar nog vrijelijk “gepionierd” kan worden. Dit soort verklaring zijn gevaarlijk naïef omdat ze het zicht ontnemen op de koersbepalende capaciteit van beleidsontwikkelingen. De centrale ambitie van deze publicatie is om te demonstreren wat de overlap is tussen politiek-economisch systeem dat bestaansonzekerheid creëert en oogst, een stedelijk beleid dat gentrificatie stimuleert, een cultuurbeleid dat ‘nuttige’ kunst aanmoedigt, een woonbeleid dat wonen onzekerder maakt. Het is aan de frontlinie van gentrificatie en stedelijke groei waar die overlap zichtbaar wordt. Aan de frontlinie kunnen kunstparticipatieprojecten op microniveau een handreiking vormen voor wijkbewoners die worstelen met bestaansonzekerheid (door hen te “activeren”, middelen te geven om de onzekerheid te verkleinen), terwijl ze op macroniveau ingeschreven zijn in een politiek die bestaansonzekerheid vergroot. Het is aan de frontlinie dat het verdwijnen van de voorzieningen van de welvaartstaat zich het eerst doet gevoelen. Het is hier dat de rolverschuiving de overheid, die niet meer functioneert als centrale vormgever van de stad maar als facilitator van marktgedreven stedelijke planning, zich het meest zichtbaar manifesteert. En het is aan deze frontlinie dat groeiende ongelijkheid en de oneerlijke verdeling van bestaanszekerheid zich architecturaal en stedenbouwkundig het duidelijkst openbaart in de vorm van microsegregatie en de opkomst van gecamoufleerde gated communities. Aan de frontlinie stuit de uitdijende successtad op de precaire buitengebieden en het is in dit complexe krachtenveld dat ‘gebiedsverkenners’ opereren.

[Dit is niet het volledige eerste hoofdstuk. De publicatie De Frontlinie komt tot stand in samenwerking met De Correspondent en met de financiële steun van het Mondriaan Fonds]

Voorlopige inhoudsopgave:

Deel I                 De Frontlinie (Roel Griffioen)

I.I  -De precaire/creatieve stad
I.II – Woonnomadisme (met Abel Heijkamp)
I.III – Het vreemdelingenlegioen
I.IV – De breuklijn
I.V – Straatvrees

Deel II                Reflecties

Netwerkhysterie
Interview met Pascal Gielen (Roel Griffioen)

Het regeren van precairen
Isabell Lorey

Hand op de knip. Over de economisering van het Nederlandse kunst- en cultuurbeleid
Claudia Zeller

Brief uit Polen. Van flexibele economie naar nationalistische jeugd
Łukasz Koterba

Brief uit Griekenland. Een aanval op werkloosheid en precariteit in het centrum van Athene
Herbert Ploegman

Groundwork. Thinking through the Convention on the Use of Space (just over) one year later
Adelita Husni-Bey

Ze deden niets maar ze voelden veel
Frank Keizer

Noten

[1] Hito Steyerl, ‘Politics of Art: Contemporary Art and the Transition to Post-Democracy’, e-flux journal (december 2010) #21, geraadpleegd via: http://www.e-flux.com/issues/21-december-2010/.

[2] Isabell Lorey, Het regeren van precairen, Amsterdam: Octavo, 2016

[3] ‘VVD wil excuses van betogers kunstsector’, NOS.nl, 4 december 2014, geraadpleegd via: http://nos.nl/artikel/2006770-vvd-wil-excuses-van-betogers-kunstsector.html.

[4] Lara Hannawi, ‘Rijksmuseum bereikt nieuw dieptepunt’, Het Parool, 25 oktober 2014.

[5] Dmitri Lahaut, ‘Vrijwilliger in de culturele sector in opmars’, Boekman (2015) 103, thema: ‘Wie geeft er aan cultuur?’; zie ook: Julia Steenhuisen en Marjolein Van de Ven, ‘Als starter in de stagecarrousel’, WeerWoord#15, PlatformBK, 11 december 2015, http://www.platformbk.nl/2015/12/ww15-als-starter-in-de-stagecarrousel/#sdendnote11sym.

[6] Sociaal-Economische Raad, Raad voor Cultuur, Verkenning arbeidsmarkt culturele sector, Den Haag: Huisdrukkerij SER, 2016.

[7] Katja Chkalova, Anneke Goudswaard, Jos Sanders, Wendy Smits (red.), Dynamiek op de Nederlandse arbeidsmarkt. Focus op flexibilisering, Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek, TNO, 2015.

[8] Een toename van 20,4% in de culturele sector tegen 9,6% in de hele economie, volgens het rapport van de SER en de Raad voor Cultuur. Op. cit. (noot 6).

[9] In het interview gaat Gielen hier dieper op in, zie ‘Netwerkhysterie. Interview met Pascal Gielen’. Luc Boltanski en Ève Chiapello trekken dezelfde parallel in hun beroemde boek Le nouvel esprit du capitalisme (Parijs: Gallimard, 1999; In het Engels uitgegeven als The New Spirit of Capitalism). Socioloog Andrew Ross noemt de kunstenaar een voorbeeld voor de No Collar-worker in de creatieve dienstverlening, met instemming geciteerd in Claire Bishop, Artificial Hells. Participatory art and the politics of spectatorship, Londen/New York: 2012, p. 16. Zie verder: Pascal Gielen, Creativiteit en andere fundamentalismen, Essay 007, Amsterdam: Mondriaan Fonds, 2013; Paul de Bruyne en Pascal Gielen (red.), Being an Artist in Post-Fordist Times, Rotterdam: NAi Publishers, 2012; Gerald Raunig, Gene Ray (red.), Critique of Creativity. Precarity, Subjectivity and Resistance in the ‘Creative Industries’, Londen: MayFlyBooks, 2011; Julieta Aranda, Brian Kuan Wood, Anton Vidokle (red.), Are You Working Too Much? Post-Fordism, Precarity, and the Labor of Art, e-flux journal, Berlijn: Sternberg Press, 2011.

[10] “The artist, for so long the outcast, the enemy of standardization and Taylorist management, has become the archetype of new capitalism”, uit: George Morgan en Xuefei Rei, ‘The Creative Underclass: Culture, Subculture, and Urban Renewal’, Journal of Urban Affairs 34 (2012) 2, pp. 127–130, 127.

[11] Idem, pp. 128-129.

[12] Het symposium ‘De kunstenaar als gebiedsverkenner’ vond op 1 en 2 november 2014 plaats in Kunstfort bij Vijfhuizen.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s