2

Publicatie | De Frontlinie. Precariteit en gentrificatie in de Creative Stad

Beeld: Bent Vande Sompele

In december verschijnt dan eindelijk de door mij geredigeerde publicatie De Frontlinie. Precariteit en gentrificatie in de Creative Stad, een bundeling van teksten waarin ik samen met andere auteurs probeer een brug te slaan tussen discussies over precariteit, de economisering van cultuurbeleid en het steeds pregnantere gentrificatiedebat, om zo een tegenwicht te bieden aan alle doorzonbetogen over de vermeende zegeningen van de Creatieve Stad. De publicatie verschijnt eigenlijk in drievoud: als boek, als gratis e-publicatie en als website waarop ook andere bijdragen over precariteit en gentrificatie verzameld zullen worden. Hieronder vast, als voorproefje, een deel van het eerste, introducerende hoofdstuk van de publicatie.

De Precaire/Creatieve Stad

A standard way of relating politics to art assumes that art represents political issues in one way or another. But there is a much more interesting perspective: the politics of the field of art as a place of work. Simply look at what it does – not what it shows.
Hito Steyerl, 2010[1]

In tegenstelling tot de oude machtsregel waarbij in ruil voor bescherming gehoorzaamheid werd verlangd, kenmerkt het neoliberale regeren zich vooral door sociale onveiligheid, door het regelen van een minimale afscherming bij een tegelijkertijd alsmaar toenemende onzekerheid.
Isabell Lorey, 2016[2]

Wie in de culturele sector werkt, kent de verhalen over onbetaald werk en uitbuiting. Over het bureau van de bekende modeontwerper dat draait op vijftien stagekrachten en twee werknemers. Bij een show in het buitenland wordt die stagiair(e)populatie nog eens aangevuld met extra wegwerpexemplaren. Ze krijgen geen vergoeding en dienen hun eigen reis en verblijf te regelen en te betalen. Maar ze doen natuurlijk wel een pak ervaring op.

De regelmaat waarmee dergelijke verhalen opduiken is veelzeggend. De culturele sector lijkt op stagekrachten te draaien. En dat geldt niet alleen voor het commerciële circuit van modehuizen, galeries, architectuur- en grafisch ontwerp-studio’s. Van verschillende publieke instellingen is bekend dat ze een even intensief publieksprogramma draaien als voor de serie cultuurbezuinigingen van de afgelopen jaren, terwijl er nog maar één derde van de staf werkzaam is, aangevuld met een roulerend bataljon stagiair(e)s en vrijwilligers. De instituties brokkelen aan de achter- en onderkant af, hoewel de façades nog glimmen als weleer.

Je kunt je er iets bij voorstellen: instellingen moeten overleven en zich blijvend onderscheiden om de laatste subsidierestanten te waarborgen. Maar het effect is averechts. Terwijl deze organisaties zich alleen maar kunnen handhaven door roofbouw te plegen op een brede onderlaag ambitieuze jonge mensen, wordt naar de buitenwereld toe met terugwerkende kracht de rabiate cultuurbezuinigingspolitiek van Halbe Zijlstra gelegitimeerd, die handenwrijvend vaststelt dat het inderdaad allemaal met minder af kan.[3]

Het venijn zit ‘m in de normalisering van de ‘alles voor niets’-cultuur. Buiten de publieke instellingen om was in de culturele sector het gratis werk al eerder ingeburgerd. Een beginnend kunstenaar, ontwerper of schrijver over kunst krijgt zo vaak het verzoek om werk te leveren of te verrichten in ruil voor ‘ervaring’ of ‘exposure’ dat er allang geen alarmbellen meer gaan rinkelen. Zorgwekkend is dat is dat in onze tijd zelfs een instituut als het Rijksmuseum, dat toch bepaald geen kwijnend bestaan leidt, een vacature verspreidt voor een ‘onbetaalde baan’ tot 36 uur per week.[4] Het aantal werkzame vrijwilligers bij musea is sinds 2005 met 58% gestegen.[5] Ook bij grote musea en gereputeerde presentatie-instellingen is het niet meer altijd gebruikelijk om jonge makers en denkers een vergoeding aan te bieden voor hun werk. De teneur is dat mensen aan het begin van hun loopbaan een dergelijke opdracht als een gunst moeten ervaren. Publieke instellingen kopen zichzelf zo binnen in een vuil systeem dat uitbuiting en werkverdringing stimuleert en roofbouw camoufleert.

Onzeker werk en een laag inkomen zijn voor de aantredende generatie cultuurprofessionals de norm, zoals onlangs werd gestaafd in het rapport Verkenning arbeidsmarkt culturele sector (2016), uitgevoerd door de Sociaal-Economische Raad en de Raad voor Cultuur.[6] Gemiddeld verdienen afgestudeerden in de autonome beeldende kunst 880 euro per maand. Bruto, welteverstaan. Banen en regelingen verdwijnen en het aantal schijnzelfstandigen neemt explosief toe. Kunststudenten en aspirant-architecten krijgen al op de academie ingepeperd dat je jezelf moeten kunnen opofferen, dat je moet laten zien dat ‘je het echt wilt’, dat toewijding en zelfuitbuiting de belangrijkste ingrediënten van succes zijn. Jonge kunstwetenschappers rijgen voor en na het behalen van een diploma de stages en ervaringsplekken aaneen in de hoop ergens te kunnen aanhaken, terwijl die aanhaakplekken juist verdwijnen omdat ze goedkoper met stagiaires gevuld kunnen worden.

Deze ontwikkelingen – verdringing op de arbeidsmarkt, de toename van onzeker werk – zijn allerminst exclusief voorbehouden aan de culturele sector. In de meest uiteenlopende beroepsdomeinen zijn dezelfde mechanismes zichtbaar, van de ambtenarij, de zorg, journalistiek en media, de post, het onderwijs en de wetenschap, tot de reclamewereld en de lage financiële dienstverlening. De verschijnselen zijn telkens hetzelfde: de flagrante toename van onderbetaald of zelfs onbetaald werk ten koste van reguliere arbeidsplaatsen; het eindeloos schakelen van stages en werkervaringsplekken; het steeds verder uitdijen van de flexibele schil bij bedrijven, instellingen en organisaties. Deze ontwikkeling loopt parallel met de flexibilisering van de arbeidsmarkt. Een recent rapport van het Centraal Bureau voor de Statistiek over de flexibilisering van de arbeidsmarkt laat zien dat het aandeel vaste arbeidsrelaties tussen 2004 en 2014 is gedaald van 72 naar 61 procent. In diezelfde periode is het aandeel flexwerkers (van 15 naar 22 procent) en zzp’ers (van 8 naar 12 procent) scherp toegenomen.[7] Achter die cijfers bevindt zich ook nog een verborgen wereld van gestapelde halfjaarcontracten, payroll-arrangementen, uitzendwerk, onbetaalde stages en schijnondernemerschap.

De culturele sector loopt echter wel voorop. De groei van het aantal zelfstandigen is in deze sector twee keer zo hoog als in de economie als geheel.[8] Op een cynische manier wordt zo de wens om een avant-garde te zijn, een voorhoede van vernieuwing, bewaarheid in de economie. De generatie jonge creatieve professionals – kunstenaars en culturele beeldschermwerkers zoals grafisch vormgevers, schrijvers en critici, maar ook dansers, acteurs en musici – die het veld betreedt nu ondersteuningsregelingen zijn afgeschaft en de bezuinigingen vooral de onderste lagen van de institutionele piramide hard hebben geraakt, is een proefgroep van the shape of the economy to come. Niet voor niets wordt door sociologen vastgesteld dat de kunstenaar eigenlijk de ideaaltypische neoliberale werknemer is: wendbaar, buigzaam, mobiel, creatief – zie het interview met Pascal Gielen dat in deze publicatie is opgenomen.[9] Arbeidsvormen waarmee kunstenaars al geruime tijd bekend zijn, zoals projectmatig en ambulant werk en onregelmatigheid in inkomsten en werktijden, dringen door tot het hart van onze economie. De kunstenaar, die sinds de Romantiek als maatschappelijke en economische randfiguur te boek stond en in de twintigste eeuw school maakte als tegenstrever van standaardisering en Tayloristisch management, vindt zichzelf plots in de situatie dat hij naar voren wordt geschoven als de emblematische figuur van het nieuwe kapitalisme.[10]

In de creatieve loopgraaf

Hoe manifesteert zich deze flexibiliseringsvoorhoede in de stad? Er zijn boeken vol geschreven over de creatieve stad, de stedelijke “creatieve industrie”, en over het belang van “creatieve klasse” in het economisch welslagen van de stad. Zelden echter gaat het over de producenten van die creativiteit, en zeker niet over low-tier cultuurproducenten: het aanzwellende reservoir precaire beeldschermwerkers, draaideurstagiaires, galeriehulpjes, oproep-productieassistenten en beeldmaker-cum-barista-cum-bruiloftfotografen. Wat zoeken ze in de stad en wat voegen zij eraan toe? Waar is hun werk gesitueerd en waarom daar? Waar woont in een steeds duurder wordende stad de “creatieve onderklasse”?[11] En onder welke voorwaarden? Hoe betalen zij de huur?

De inzet van deze publicatie is te laten zien hoe deze economische voorhoede-tegen-wil-en-dank ook een stedelijke ‘voorhoede’ is. Als in een recent symposium wordt gesteld dat de kunstenaar vandaag de dag vaak een ‘gebiedsverkenner’ is, dan hoeven we dat niet spreekwoordelijk op te vatten.[12] Werkmogelijkheden voor kunstenaars zijn steeds minder vaak te vinden in de stadscentra en steeds vaker langs de frontlinie van gentrificatie- en stadsvernieuwingsprocessen, of het nu is in de vorm van gemeenschapskunst- en ‘social design’-projecten, broedplaatsen in de stedelijke periferie of antikraak-woon-werkconstructies voor jonge creatieven in kwijnende woonwijken of door leegstand geteisterde winkelgebieden. Wat is de verklaring voor deze beweging van kunst en creativiteit van het centrum naar de periferie?

Als antwoord op die vraag worden vaak de bekende boutades opgedist over de romantische “roep van de rafelrand” en de aantrekkingskracht van plekken waar nog vrijelijk “gepionierd” kan worden. Dit soort verklaring zijn gevaarlijk naïef omdat ze het zicht ontnemen op de koersbepalende capaciteit van beleidsontwikkelingen. De centrale ambitie van deze publicatie is om te demonstreren wat de overlap is tussen politiek-economisch systeem dat bestaansonzekerheid creëert en oogst, een stedelijk beleid dat gentrificatie stimuleert, een cultuurbeleid dat ‘nuttige’ kunst aanmoedigt, een woonbeleid dat wonen onzekerder maakt. Het is aan de frontlinie van gentrificatie en stedelijke groei waar die overlap zichtbaar wordt. Aan de frontlinie kunnen kunstparticipatieprojecten op microniveau een handreiking vormen voor wijkbewoners die worstelen met bestaansonzekerheid (door hen te “activeren”, middelen te geven om de onzekerheid te verkleinen), terwijl ze op macroniveau ingeschreven zijn in een politiek die bestaansonzekerheid vergroot. Het is aan de frontlinie dat het verdwijnen van de voorzieningen van de welvaartstaat zich het eerst doet gevoelen. Het is hier dat de rolverschuiving de overheid, die niet meer functioneert als centrale vormgever van de stad maar als facilitator van marktgedreven stedelijke planning, zich het meest zichtbaar manifesteert. En het is aan deze frontlinie dat groeiende ongelijkheid en de oneerlijke verdeling van bestaanszekerheid zich architecturaal en stedenbouwkundig het duidelijkst openbaart in de vorm van microsegregatie en de opkomst van gecamoufleerde gated communities. Aan de frontlinie stuit de uitdijende successtad op de precaire buitengebieden en het is in dit complexe krachtenveld dat ‘gebiedsverkenners’ opereren.

[Dit is niet het volledige eerste hoofdstuk. De publicatie De Frontlinie komt tot stand in samenwerking met De Correspondent en met de financiële steun van het Mondriaan Fonds]

Voorlopige inhoudsopgave:

Deel I                 De Frontlinie (Roel Griffioen)

I.I  -De precaire/creatieve stad
I.II – Woonnomadisme (met Abel Heijkamp)
I.III – Het vreemdelingenlegioen
I.IV – De breuklijn
I.V – Straatvrees

Deel II                Reflecties

Netwerkhysterie
Interview met Pascal Gielen (Roel Griffioen)

Het regeren van precairen
Isabell Lorey

Hand op de knip. Over de economisering van het Nederlandse kunst- en cultuurbeleid
Claudia Zeller

Brief uit Polen. Van flexibele economie naar nationalistische jeugd
Łukasz Koterba

Brief uit Griekenland. Een aanval op werkloosheid en precariteit in het centrum van Athene
Herbert Ploegman

Groundwork. Thinking through the Convention on the Use of Space (just over) one year later
Adelita Husni-Bey

Ze deden niets maar ze voelden veel
Frank Keizer

Noten

[1] Hito Steyerl, ‘Politics of Art: Contemporary Art and the Transition to Post-Democracy’, e-flux journal (december 2010) #21, geraadpleegd via: http://www.e-flux.com/issues/21-december-2010/.

[2] Isabell Lorey, Het regeren van precairen, Amsterdam: Octavo, 2016

[3] ‘VVD wil excuses van betogers kunstsector’, NOS.nl, 4 december 2014, geraadpleegd via: http://nos.nl/artikel/2006770-vvd-wil-excuses-van-betogers-kunstsector.html.

[4] Lara Hannawi, ‘Rijksmuseum bereikt nieuw dieptepunt’, Het Parool, 25 oktober 2014.

[5] Dmitri Lahaut, ‘Vrijwilliger in de culturele sector in opmars’, Boekman (2015) 103, thema: ‘Wie geeft er aan cultuur?’; zie ook: Julia Steenhuisen en Marjolein Van de Ven, ‘Als starter in de stagecarrousel’, WeerWoord#15, PlatformBK, 11 december 2015, http://www.platformbk.nl/2015/12/ww15-als-starter-in-de-stagecarrousel/#sdendnote11sym.

[6] Sociaal-Economische Raad, Raad voor Cultuur, Verkenning arbeidsmarkt culturele sector, Den Haag: Huisdrukkerij SER, 2016.

[7] Katja Chkalova, Anneke Goudswaard, Jos Sanders, Wendy Smits (red.), Dynamiek op de Nederlandse arbeidsmarkt. Focus op flexibilisering, Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek, TNO, 2015.

[8] Een toename van 20,4% in de culturele sector tegen 9,6% in de hele economie, volgens het rapport van de SER en de Raad voor Cultuur. Op. cit. (noot 6).

[9] In het interview gaat Gielen hier dieper op in, zie ‘Netwerkhysterie. Interview met Pascal Gielen’. Luc Boltanski en Ève Chiapello trekken dezelfde parallel in hun beroemde boek Le nouvel esprit du capitalisme (Parijs: Gallimard, 1999; In het Engels uitgegeven als The New Spirit of Capitalism). Socioloog Andrew Ross noemt de kunstenaar een voorbeeld voor de No Collar-worker in de creatieve dienstverlening, met instemming geciteerd in Claire Bishop, Artificial Hells. Participatory art and the politics of spectatorship, Londen/New York: 2012, p. 16. Zie verder: Pascal Gielen, Creativiteit en andere fundamentalismen, Essay 007, Amsterdam: Mondriaan Fonds, 2013; Paul de Bruyne en Pascal Gielen (red.), Being an Artist in Post-Fordist Times, Rotterdam: NAi Publishers, 2012; Gerald Raunig, Gene Ray (red.), Critique of Creativity. Precarity, Subjectivity and Resistance in the ‘Creative Industries’, Londen: MayFlyBooks, 2011; Julieta Aranda, Brian Kuan Wood, Anton Vidokle (red.), Are You Working Too Much? Post-Fordism, Precarity, and the Labor of Art, e-flux journal, Berlijn: Sternberg Press, 2011.

[10] “The artist, for so long the outcast, the enemy of standardization and Taylorist management, has become the archetype of new capitalism”, uit: George Morgan en Xuefei Rei, ‘The Creative Underclass: Culture, Subculture, and Urban Renewal’, Journal of Urban Affairs 34 (2012) 2, pp. 127–130, 127.

[11] Idem, pp. 128-129.

[12] Het symposium ‘De kunstenaar als gebiedsverkenner’ vond op 1 en 2 november 2014 plaats in Kunstfort bij Vijfhuizen.

10580001_10205492932864591_5687729414593550864_n

Bespreking | Zorgen om de toekomst van de publieke sfeer

Verschenen in: Metropolis M, no 2, 2016

In Die Regierung der Prekären (2012), dat later dit voorjaar in Nederlandse vertaling bij Octavo verschijnt, beschrijft Isabell Lorey hoe de naoorlogse uitruil van de verzorgingsstaat nu wordt beëindigd. Die uitruil werkte decennialang ongeveer als volgt: de staat garandeert een bepaalde gradatie van bescherming en zekerheid voor iedereen en krijgt daar bestuurslegitimiteit en -stabiliteit voor terug. Meningsverschillen worden afgekocht via arbeidsbescherming en voorzieningen als publiek onderwijs, volkshuisvesting en een sociaal vangnet. Dat is de deal. Een tevreden roker is geen onruststoker.

Maar de afspraak houdt geen stand meer, nu ook hier in het welvarende noordwesten van Europa steeds meer mensen te kampen krijgen met onzekere werk- en leefomstandigheden. ‘Precariteit’, want zo zijn we deze vorm van onzekerheid gaan noemen, valt niet langer meer uit te bannen naar de economische extractiezones in de periferie. Ook de huiseconomie draait nu op wegwerpcontracten en zelfuitbuiting. Maar nu de voorzieningen van de verzorgingsstaat worden gedemonteerd, hoeft ook de samenleving haar deel van de afspraak niet langer na te komen. Het ‘wij’, waaraan in de naoorlogse periode met veel precisie is gesleuteld, is uiteengespat en ligt in onderdelen op de grond.

Tegen deze achtergrond opereert Future Publics (The Rest Can and Should Be Done by the People): A Critical Reader in Contemporary Art (2015), een door Maria Hlavajova, directeur van BAK in Utrecht, en Ranjit Hoskote geredigeerde reader van eerder en elders verschenen teksten. Het onderzoekt de nieuwe vormen van ‘publiek’ die ontstaan vanuit de versplintering van eerdere overkoepelende sociale identiteiten. In het openingsessay lenen Hlavajova en Hoskote van de Italiaanse Marxist Antonio Gramsci de term ‘interregnum’ om de moeizame overgang te beschrijven tussen twee systemen of vormen van bestuur, waarbij ‘het oude afsterft maar het nieuwe nog niet geboren kan worden’. In deze crisis verliest de bestaande sociaalpolitieke en wetgevende orde haar grip, terwijl er nog geen nieuw raamwerk klaar ligt om geïnstalleerd te worden. De inzet van de tekst is dat er in deze verwarrende tijd van ‘tektonische verschuivingen’ toch een voorschot genomen moet worden op een andersoortige, meer rechtvaardige toekomst. Als dat niet gebeurt, sluiten de openingen en herstelt het weefsel van markt en macht zich opnieuw.

Future Publics verkent nieuwe, hedendaagse vormen van sociale organisatie, waaruit een nieuw – zij het tijdelijk en provisorisch – ´wij´ kan ontstaan. Het gaat de auteurs dan vooral om ‘geïmproviseerde maar strategische assemblages´ van protest, zoals (het onvermijdelijke) Occupy, de Koerdische vrouwenbeweging, de protestkampementen op het Tahrirplein in Caïro en het Taksimplein in Istanbul, en de in Nederland actieve actiegroep van vluchtelingen We Are Here. Dergelijke gelegenheidsformaties zijn gesmeed vanuit een gedeelde ervaring van onvrede, onrecht, uitbuiting, bestaansonzekerheid of vernedering en ontberen vaak de ideologische dogmatiek die kenmerkend was voor eerdere protestbewegingen. Maar, ´through a strength in collectivity that is still being tested and refined in conditions of hostility and unrest, this “we” might have begun to display some of the contours of a prospective class in-the-making´.

Als er al sprake is van een klasse, is die waarschijnlijk nog niet genoeg uitgekristalliseerd om als zodanig aangesproken en politiek gemobiliseerd te worden. Juist in deze tijd worden verschillende precaire groepen met succes tegen elkaar uitgespeeld. Het sentiment dat een ander aanspraak maakt op jouw bestaanszekerheid, wordt gevoed door politici die stellen dat er een ´run´ is op Nederland en dat door vluchtelingen de zorgkosten oplopen en de woningmarkt vastloopt. Ook in andere contexten blijkt het moeilijk brede solidaire coalities te sluiten tussen precaire groepen. Het blijft onwennig dat de nieuwe breuklijnen dwars door de oude sociaaleconomische segmenten lopen. De geflexibiliseerde wetenschappelijk medewerker op de universiteit heeft nog geen oog voor de papierloze dagloner die de gang staat te dweilen terwijl de strijd voor een eerlijke universiteit over hen beiden zou moeten gaan. Lorey spreekt in dit verband over de ´hiërarchische beschermde verschillen´ die onderlinge solidariteit in de weg staan, terwijl de erkenning van een wederkerige ´existentiële kwetsbaarheid´ juist de basis kan vormen van een affirmatieve politiek.

Publieke sfeer

Is er in deze tijd van versplintering nog een gedeelde symbolische ruimte denkbaar voor politiek handelen en spreken, of moeten we daar überhaupt niet naar verlangen? Feministische denkers als Nancy Fraser en Jane Mansbridge schreven al rond 1990 dat het streven naar een enkelvoudige, allesomvattende publieke sfeer gevaarlijk is omdat het niet strookt met onze caleidoscopische leefwereld. Culturele onderdrukking wordt dan gecamoufleerd door een vals ‘wij’ te installeren dat in werkelijkheid de hegemonie van de dominante groep weerspiegelt en bevestigt. Om die reden hoeven we niet nostalgisch te zijn naar de welvaartstaat, naar een ‘wij’ datvoorbij is, of een tijd waarin geluk gewoner was. Het ‘wij’ van de liberaal-democratische consensuscultuur heeft tegenstellingen systematisch weggedrukt, ontkent of afgevlakt om tot een compromis te komen. Met filosoof Chantal Mouffe kan je betogen dat de huidige weerbarstige politieke realiteit niet haaks staat op de liberale democratie en het poldermodel, maar er in zekere zin het resultaat van is. Een stelsel waarin geen ruimte is voor ‘agonisme’ leidt onherroepelijk tot een uitbarsting van antagonisme.

In de bundel Interrupting the City: Artistic Constitutions of the Public Sphere (2015), onderdeel van de snel uitdijende reeks Antennae van Valiz, stoffen Sander Bax, Pascal Gielen en Bram Ieven het idee van de publieke sfeer weer af. Zij vullen het in op een manier die meer ruimte biedt voor tegenstellingen. Waar Fraser, Mansbridge en anderen zich in de jaren negentig tegen hebben verzet, is de denktraditie rond begrippen als ‘openbaarheid’ en ‘publieke sfeer’ zoals die werd ingezet door Hannah Arendt en Jürgen Habermas. Bij hen neemt ‘openbaarheid’ een belangrijke plek in binnen het ruimere model van een overlegdemocratie, waarin het bereiken van politieke schikking het gewenste eindpunt is. Met name bij Habermas is de ideaaltypische publieke sfeer een duidelijk afgeperkte symbolische ruimte buiten de staat, markt en het private domein, een neutrale zone gereserveerd voor debat en uitwisseling tussen burgers, voor overleg, confrontatie en compromis, in andere woorden: voor een rationeel gevoerd ‘publiek debat’.

Bij Bax, Gielen en Ieven is publieke sfeer geen waardenvrij vacuüm, maar eerder een strijdperk ´waarin de verschillende maatschappelijke krachten elkaar snijden´ en niet alleen het hoofd, maar ook de andere politieke organen worden erkend: het hart en de onderbuik. Hoewel de publieke sfeer niet ‘vrij’ is, is een balans tussen de actieve krachten van groot belang. Als een de overhand krijgt, bijvoorbeeld de staat of de markt, dan verliest de publieke sfeer haar openbare functie. Zo vormt de publieke sfeer het toneel van een steeds veranderende worsteling: ´[A] struggle both in the sense that participating in the public sphere revolves around continuously trying to open up to new, divergent ideas and actions, and a struggle in the sense that the public sphere is constantly being shaped and transformed by ‘external’ economic, social and political forces.´

Hier komt het idee van het onderbreken – interrupting the city – in het spel. Met onderbreken lijkt te worden bedoeld: handelen in de publieke sfeer om de balans in het krachtenspel te herstellen of de verhoudingen opnieuw te configureren. Onderbreken kan dan zoveel betekenen als herijken, wijzigen, vernieuwen, maar ook ontregelen of destabiliseren. Het zal duidelijk zijn dat de auteurs hier een rol voor de kunst weggelegd zien, hoewel ze omzichtig proberen om de manieren waarop kunst kan ‘onderbreken’ niet te veel te preciseren. Daarom moet de lezer genoegen nemen met vrij generieke aanwijzingen, bijvoorbeeld dat kunst ´alternatieve scenario’s´ kan scheppen om naast de sociale realiteit te plaatsten; direct kan interveniëren in die werkelijkheid om sociale verandering te katalyseren; onzichtbare structuren kan blootleggen en nieuwe ruimtes kan scheppen voor politiek handelen.

Richting de meent

In het slotessay ‘Perfoming the Common City’ is Pascal Gielen duidelijker in het benoemen van praktijken en initiatieven die in de publieke sfeer interfereren en nieuwe gemeenschappelijke ruimte genereren. Hij noemt hier bijvoorbeeld de Maagdenhuisbezetting in Amsterdam en tijdelijke, van onderaf vormgegeven sociale centra, gekraakte publieksruimtes en geïmproviseerde politieke pleisterplaatsen in Spanje en Italië, en de massaprotesten op het Tahrirplein. In andere essays in de bundel worden onder meer Wikipedia en het afgeschreven, door het Berlijnse publiek toegeëigende vliegveld Tempelhof genoemd. Het zijn voorbeelden die in Future Publics hoopvol ´pockets of commoning within everyday life´ worden genoemd. Nieuwe vormen van collectief leven en politiek handelen worden hier op kleine schaal uitgetest, vaak in allianties die voorheen onwaarschijnlijk leken. Dit zijn, zou je met een van de auteurs kunnen stellen, ‘tegen-hegemonische publieke sferen in embryonale toestand’.

Toch zijn de voorbeelden, op de keper beschouwd, toch zeer dun gezaaid. De gedachte dat de creatie van nieuwe meentruimtes omgekeerd evenredig is met de ontmanteling van de oude publieke voorzieningen lijkt mij een voorbeeld van wishful thinking. De Maagdenhuisbezetting en de eruit voortgekomen Nieuwe Universiteit-beweging zijn ontstaan nadat het model van de ‘publieke universiteit’ decennialang sluipenderwijs maar systematisch afgebouwd werd. In onze door gentrificatie geteisterde steden begint er eindelijk aandacht te ontstaan voor de groeiende tweedeling en het verdwijnen van ruimte voor sociaal, cultureel of politiek experiment, maar wel pas nadat er na vijf jaar kraakverbod onvoorstelbaar veel meentruimte is verdwenen en de sociale huisvesting inmiddels per strekkende kilometer aan Duitse en Britse beleggingsmaatschappijen wordt verkocht. Voor afbraak op deze schaal bestaat er geen Ctrl-Z-functie en het zal helaas lang duren voor de nu embryonale solidaire systemen dergelijke gaten kunnen dichten.

Geert Lovink stelt in zijn bijdrage in Future Publics terecht vast dat de collectieve verbeelding nog tekortschiet om de vraag te beantwoorden hoe we huisvesting, onderwijs, communicatie, transport en werk op een alternatieve, duurzame manier kunnen herprogrammeren. Dat zal een schaalsprong vereisen die nu nog niet mogelijk is. Kleinschaligheid is niet haarlemmerolie. Zonder schaalsprong dreigt politiek initiatief dood te lopen op een soort ‘activistisch folklorisme’, om de ‘accelerationisten’ Alex Williams en Nick Srnicek te echoën. Werkgroepen, collectieven, affinity groups, et cetera zijn van groot belang als incubators van protest en collectivisme, maar de uiteindelijke uitdaging is om grotere, meer weerbarstige structuren uit te vinden om de kleinschalige initiatieven te koppelen en van slagkracht te voorzien.
Roel Griffioen
is kunsthistoricus en werkt aan een promotieonderzoek in Gent

Maria Hlavajova en Ranjit Hoskote (red.), Future Publics (The Rest Can and Should Be Done by the People): A Critical Reader in Contemporary Art, BAK en Valiz: Utrecht en Amsterdam, 2016

Sander Bax, Pascal Gielen, Bram Ieven, Interrupting the City. Artistic Constitutions of the Public Sphere, Valiz: Amsterdam, 2015

 

Naamloos2

Opinie | Broedplaatsbeleid

Deze korte column schreef ik voor het aanstaande nummer van Rooilijn: Tijdschrift voor wetenschap en beleid in de ruimtelijke ordening, 47 (dec 2014) 6.

Broedplaatsen vullen niet het vacuüm van gemeentelijke verantwoordelijkheid

In een interview in Breed, het broedplaatstijdschrift van Amsterdam, stelde aftredend wethouder Maarten van Poelgeest begin dit jaar dat er ‘zes, zeven jaar’ een ‘omslag’ heeft plaatsgevonden in het broedplaatsenbeleid. Voordien was het programma ‘een soort grote subsidiepot om tegen de verdrukking in plekken te behouden voor kunstenaars’, maar inmiddels herkennen marktpartijen dat ‘zulke panden met een tijdelijke bestemming voorlopers kunnen zijn van gebiedsontwikkeling’.

Dat is een interessante constatering. Het broedplaatsenbeleid is rond 2000 geformuleerd om in Amsterdam, een stad bekend om de woekerhandel in vierkante meters, een kritiek minimum aan betaalbare werkruimtes voor kunstenaars en andere creatieve arbeiders te waarborgen. Die plekken van creatieve arbeid, dus arbeid waarvan het economisch rendement niet altijd direct duidelijk is, dienden te worden beschermd ‘tegen de verdrukking’ van de markt, om Van Poelgeest te echoën. De Kunststad in de NDSM-loods (2007) bewees echter de potentie van de broedplaats als waarde-vermeerderend instrument in gebiedsontwikkeling. De ontwikkeling van deze paradebroedplaats was (te) duur, zo’n 15 miljoen euro, maar groot was de triomf toen ook MTV neerstreek op de oude scheepswerf. Het Bilbao-effect aan het IJ.

Dat model van de broedplaats als lokeend is dominant geworden in het broedplaatsenprogramma. In ruimtelijk opzicht is de focus verlegd van het centrum en de oude havens eromheen, met de NDSM-werf als verste post, naar de sociaaleconomisch zwakke wijken in de stedelijke periferie zoals Nieuw-West, Noord en Zuidoost. Daar worden allerlei nieuwe betekenissen op deze culturele verzamelgebouwen geprojecteerd – deels door lokale partners en bestuurders, maar ook door de broedplaatsontwikkelaars zelf. Voetstoots wordt aangenomen dat de aanwezigheid van een broedplaats veel positieve sociaaleconomische effecten op de omgeving heeft. Niets mis mee, maar die retoriek camoufleert wel dat in dezelfde wijken duurdere maar meer duurzame voorzieningen worden afgebouwd, buurthuizen sluiten en welzijnsorganisaties worden opgedoekt. De gaten worden gelapt met mantelzorg en vrijwilligersinitiatieven, maar ook met allerhande sociaal-artistieke projecten van ‘social designers’, gemeenschapskunstenaars, kunststudenten met wegwerpcontracten en een daarin vastgelegde ‘sociale tegendienst’ – en inderdaad, broedplaatsen. Creatieve bedrijvigheid wordt gepresenteerd als haarlemmerolie tegen allerhande grootstedelijke kwalen. Maar ingewikkelde problemen zoals armoede, segregatie, criminaliteit en huisvestingspolitiek, behandel je niet met pop-up-engagement of uitzendactivisme. In kwetsbare wijken, waar de ontmanteling van de welvaartsstaat het eerst en het hevigst gevoeld wordt, tekent zich een scherpe discrepantie af tussen sociale en economische problemen die steeds dieper inslijten, en het goedwillende maar dikwijls onmachtige lapwerk van de creatieven.

Met succes heeft het broedplaatsenprogramma in het recente verleden plekken in de stad uitgekerfd die ‘anders’ zijn, en niet (alleen) de marktlogica eerbiedigen. Ook in kwetsbare buurten kunnen deze plekken een rol van betekenis spelen – zeker als het initiatief van buurtbewoners zelf uitgaat, zoals bij HW10 in Nieuw-West. Maar alle opgeklopte retoriek over sociaaleconomische verandering ten spijt, bestaat menig broedplaats bij gratie van twee predisposities: lappen en lokken. Zo dreigt in mijn ogen de culturele vrijplaats van weleer te verworden tot een compacte en gemakkelijk plaatsbare stadsvernieuwingsmachine, om tegen de kleinst denkbare prijs de leefbaarheid op een acceptabel peil te houden, in afwachting van het moment dat de sloop-nieuwbouw-machinerie weer gaat draaien.

lumiere

Opinie | Decademia

Door Roel Griffioen en Jesse van Winden.

Een geannoteerde versie van dit artikel verscheen als ‘Decademia. Studeren aan de Potemkinuniversiteit’, in: Jelle van Baardewijk en Ad Verbrugge (red.), Waartoe is de universiteit op aarde?, Amsterdam: Boom, 2014. Een verkorte versie verscheen onder de titel ‘Nonderwijs’, in: NRC Handelsblad, 31 mei 2014, Opinie & Debat, pagina 4, en op de NRC-website.

In Holland wordt verstand noch wetenschap geacht.
Geleerdheid zonder geld zal niemands gunst daar winnen.
Anoniem, Hollands ontaarding, 1728

Als studenten merken we steeds scherper, steeds vaker, en in steeds meer opzichten dat het academisch onderwijs achteruit holt. Gerichte en gedegen vakopleidingen worden samengesmolten en aangelengd tot massaal ‘nonderwijs’, waarbinnen de verwachtingen laag zijn, ambitie en initiatief worden ontmoedigd, en de ruimte voor persoonlijk contact met de wetenschappelijke staf tot een nulpunt is geslonken. Het doel is allang niet meer om studenten op te leiden maar om afgestudeerden af te leveren.

Maar blijkt uit harde cijfers niet juist dat het goed gaat met de Nederlandse universiteiten? Internationaal doen we heel behoorlijk mee, zo zien we in de gezaghebbende rankings die met trots in de studiebrochures gerecycled worden. Maar let op, de meeste rankings hebben geen specifieke scores voor onderwijs. Zij beoordelen vooral op basis van onderzoek, citaties, en het aandeel van de inkomsten uit de ‘derde geldstoom’ (particuliere investeringen). En als we kijken naar een van de weinige lijsten waar de kwaliteit van het onderwijs specifiek aan bod komt, de Times Higher Education Ranking, blijkt Nederland het helemaal niet zo goed te doen. Alle universiteiten in de top 200 van 2013-2014, met uitzondering van Delft, scoren van alle categorieën het slechtst op onderwijs. De onderwijsscores van Nederlandse universiteiten treffen we ‘steevast onderaan de lijsten’ , schreef Maartje ter Horst in De Volkskrant. Ze rekent voor dat de gemiddelde score van Nederlandse universiteiten ‘ver onder het gemiddelde van de rest van Europa ligt’.

Wat is er aan de hand? Voor de financiering is het voor de universiteiten van vitaal belang dat zoveel mogelijk eerstejaarsstudenten zich aanmelden en dat er zoveel mogelijk afstuderen. Dat betekent dat brede, lekker bekkende maar rammelende bachelors worden aangeboden om een zo groot mogelijke doelgroep van keuzestressscholieren aan te trekken. Ten tweede betekent het dat faculteiten geld krijgen voor iedere afgestudeerde student, geld dat – zo krijgen we telkens ingeprent – simpelweg keihard nodig is. Het ongelooflijke is waar: universiteiten hebben in dit doorgeslagen systeem baat bij een laag onderwijsniveau. Het financieringsmodel stimuleert confectieprogramma’s voor confectiestudenten.

Het bestaan van pretprogramma’s zou niet zo erg zijn als ze aangeboden zouden worden naast bestaande opleidingen. Dat is niet het geval want in de strijd om studentenaantallen geldt ‘the survival of the biggest’: de kleintjes worden het eerste opgegeten. Immers, de grootte van de ‘eerste geldstroom’ (direct van de overheid) is afhankelijk van het marktaandeel van het totale aantal studenten in Nederland. Faculteitsbesturen wijzen beschuldigend naar boven, naar het universiteitsbestuur. Die wijzen naar het overheidsbeleid, dat statistische modellen inschaalt boven kwaliteitsmaatstaven. De overheid wijst ook weer weg, naar de zweep van Brussel, of naar de belastingbetaler die geen elitair geouwehoer meer zou accepteren. Iedereen wijst weg, en ondertussen zet het verval door. Door dit valse determinisme worden tegengeluiden gemakkelijk gesmoord, zoals Willem Halffman en Hans Radder onlangs lieten zien in het artikel Het Academisch Manifest. Voorgestelde alternatieven – zie hun pleidooi voor een ‘publieke universiteit’ – worden bij voorbaat afgedaan als irreëel en naïef.

Studeren is op deze manier niet alleen steeds minder leuk, het heeft ook steeds minder zin. De droom is dat in de containerbachelors topstudenten met een wijde horizon worden opgeleid. In werkelijkheid worden eerstejaars twee dagen per week op overvolle, onpersoonlijke colleges verwacht. Het risico op kwaliteitsverlies bij de bachelorreorganisatie op de Vrije Universiteit (VU) in Amsterdam was voor kunsthistoricus Wouter Davidts reden om zijn hoogleraarschap op te geven: ‘Ik kon goed onderwijs niet meer garanderen’, stelt hij desgevraagd. ‘Eigenlijk ben ik opgestapt omdat ik niet langer mijn toekomstige collega’s kon opleiden.’

Voor een aan de bovengenoemde universiteit gelieerd wetenschappelijk kunsthistorisch tijdschrift, waaraan wij verbonden zijn, leidt de uitholling van het onderwijs door het verdwijnen van vakopleidingen tot bizarre situaties. Zo kan het zijn dat het tijdschrift binnen afzienbare tijd op de eigen universiteit nauwelijks nog nieuwe redactieleden kan werven. Natuurlijk zijn er nog ambitieuze en talentvolle studenten te vinden in de brede bachelor, maar die hebben dikwijls het gevoel dat ze elk specialistisch inzicht ontberen omdat ze een opleiding volgen waarin een soort stamppot van de verschillende disciplines wordt gemaakt. De Nederlandse universiteiten sturen straks een teleurgestelde generatie borrelpraatwetenschappers, bang voor ideeën en opgeleid in van alles een beetje, de grote boze banenwereld in. Zit de arbeidsmarkt werkelijk te wachten op studenten met een – in de woorden van Roos van Rijswijk – ‘Master of Fucking Everything’? Actiegroep Titanic legde de vinger op de zere plek toen het tijdens de bezetting van de VU in maart diploma’s uitdeelde waarbij ze studenten ‘feliciteren met het behalen van de gestelde doelen, waarbij je geen vaardigheden hebt ontwikkeld of onderzoek leert doen, maar wel past binnen het financiële model’.

De tendens om de universiteit als bedrijfssector te zien, is niet meer voorbehouden aan bestuurslagen. De zesjescultuur zit niet alleen in de hoofden van ongeïnspireerde studenten. De mentaliteit heeft zich volledig ingenesteld in het functioneren van de universiteit zelf: de hoofden van het wetenschappelijk personeel. Als redacteurs van het eerder genoemde tijdschrift werden we uitgenodigd om voor eerstejaars bachelorstudenten een deel van een werkcollege over wetenschappelijk publiceren in te vullen. Na afloop kwam een professor naar ons toe, hij vond dat we een goed verhaal hadden, maar had kritiek op onze inschatting van het niveau van de studenten. Het woord ‘alumnus’ zou bijvoorbeeld niet aan hen besteed zijn, dacht hij, en van het concept ‘voetnoten’ hebben ze geen flauw idee. Niet alleen spiegelt een professor zich blijkbaar aan een niveau dat afgestudeerde vwo’ers zeker zouden moeten overstijgen, veel erger is dat hij kennisoverdracht, de dagelijkse praktijk van het ‘scholen’, blijkbaar niet meer haalbaar acht.

Studenten zijn tegenwoordig ongemotiveerder dan ooit tevoren, horen we vaak. Dat is goed mogelijk, maar dat is niet verwonderlijk als zelfs professoren geconditioneerd zijn om zo min mogelijk van studenten te verwachten. Voor de duidelijkheid: we scharen ons niet achter die ridicule ‘Academic Excellence’-obsessie van de afgelopen jaren. Beleidsmakers die likkebaarden bij het beeld van de elitaire pleisterplaatsen van geld en toptalent in de Angelsaksische wereld, miskennen de kracht van onze eigen universiteiten: toegankelijkheid, ongeacht afkomst of bankbalans. Wij geloven sterk in de publieke universiteit, maar betreuren dat die niet meer het perspectief van sociale aspiratie biedt. Dat de drempel van de universiteit laag is, is goed, maar dat het plafond dat tegenwoordig ook is, is beklagenswaardig. De twee academische populaties zijn hieraan beide medeplichtig: de moe-gemanagede docenten duwen het naar beneden en ingedutte studenten duwen het niet omhoog.

Ook hier ligt de sleutel in onze optiek in het jammerlijke feit dat inhoudelijke criteria door kwantitatieve modellen zijn vervangen, zoals diplomatargets. De premie voor afgestudeerde studenten leidt tot het doelbewust eenvoudig houden van colleges en het veel te positief beoordelen van zwakke studenten. Docenten politicologie bij de Universiteit van Amsterdam krijgen zelfs uitbetaald per goedgekeurde scriptie, zo bracht Folia aan het licht, het weekblad van de UvA en HvA. Een manager geeft aan tegen welke achtergrond docenten, afhankelijk van hun salarisschaal, minstens 500 euro per scriptie krijgen: ‘We moeten wel geld hebben om docenten mee te kunnen betalen en dat krijgen we alleen binnen wanneer onze studenten afstuderen. Betaling naar prestatie zul je dus meer en meer gaan zien op de universiteit.’ ‘Presteren’ betekent ‘laten afstuderen’ en andere vormen van statistieken spekken, zoveel is duidelijk. Het daadwerkelijk vergaren van kennis is daarentegen gedegradeerd tot een facultatief programmaonderdeel, verbannen naar speciale ‘honoursprogramma’s’, talentenklasjes en andere ambitieghetto’s binnen de ‘Diplomafabriek’, om een woord te gebruiken waarmee Rutger Bregman de nieuwe universiteit onlangs typeerde.

Academia nieuwe stijl is ‘decadent’, in de zin dat het verval niet enkel getolereerd, maar op een perverse manier gevierd wordt. Natuurlijk is hoopvol dat het onderzoek aan Nederlandse universiteiten zo hoog wordt aangeslagen, we studeren blijkbaar aan universiteiten waar veel kennis wordt opgedaan, geproduceerd en geëxporteerd. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat het aantal publicaties de afgelopen tien jaar van 54.000 naar meer dan 70.000 is gestegen. Tegelijkertijd echter, is het aantal docenten met 13 procent afgenomen, terwijl het aantal studenten juist explosief is gestegen, met 48 procent. Het mag geen verrassing heten: voor de overgebleven stafleden neemt de werkdruk toe en zijn zelfhandhaving en het halen van (ongeschreven) publicatiequota urgenter geworden dan het leveren van goed onderwijs. Het past in het droombeeld van de Universiteit van Morgen als een soort flexibel agentschap dat kwantitatief kennis harkt en op maat verpakt om zo zijn bestaan te legitimeren.

Na een grondige ‘make-over’ van het hoofdgebouw is deze radicale verschuiving in de taakstelling van docenten en onderzoekers op de VU zelfs voelbaar in de architectuur. De wetenschappelijke staf is weggesegregeerd naar een voor studenten ontoegankelijke flexwerkkantoortuin. Achter een soort koorhek – de architecturale afscheiding die in kerken het priesterkoor moest afschermen van het gepeupel – wordt van de docenten en onderzoekers een lachwekkende graad van onthechting gevraagd, omdat het voor niemand is toegestaan een boekenkast te hebben of een vaste rustige ruimte te claimen. Het is maar zeer de vraag of deze boekenarme kaasstolp het wetenschappelijk onderzoek ten goede komt. Zeker is dat de herstructurering voor de student een stap achteruit betekent. De benaderbaarheid van het wetenschappelijk personeel is een belangrijke meerwaarde van kleine studierichtingen – een waar wij, langstudeerders, nog volop van geprofiteerd hebben – maar helaas verleden tijd geworden nu er tussen docent en student een grenspost is geplaatst. Een student met een afspraak moet door de docent bij met pasjes ‘beveiligde’ deuren opgehaald worden. In een gebouw dat direct na het magische jaar 1968 ontworpen werd om de eis naar meer academische transparantie en toegankelijkheid te recupereren, sta je tegenwoordig in een sluis tussen twee liften en twee glazen deuren te wachten tot de docent je komt bevrijden. Bonjour tristesse.

Als het tij niet keert, studeren wij straks aan een Potemkinuniversiteit. Naar buiten toe staat de indrukwekkende gevel nog fier overeind. De rankings zijn hoog en de studentenaantallen stijgen; de publicatiestroom taant niet, ondanks het afgeslankte corps van onderzoekers; er worden succesvolle publiek-private dwarsverbanden gecreëerd en lijnen gelegd naar de samenleving en het bedrijfsleven; er zijn ambitieuze fusieplannen en investeringen in staal, steen en glas. De gevel blinkt als nooit tevoren. Daarachter liggen de overblijfselen van wat ooit een kennisinstelling was.

Waar we allemaal niet bij gebaat zijn — studenten, docenten, onderzoekers, maar ook het ministerie van OCW — is een beleid dat het weinige geld dat er is ‘zo eerlijk mogelijk verdeelt’ vanuit een efficiencymodel. Wat we nodig hebben, is een ander beleid. Een beleid dat de managementcultuur als universiteitsvreemd beschouwt. Een beleid dat het ‘risico’ neemt om voor inhoud en kwaliteit te gaan, de onderwijstaak uit de marge haalt en weer in het hart plaatst. Een beleid dat het aandurft om eisen te stellen aan studenten zodat het potentieel van al die studenten die echt een universitaire titel verdienen niet verkwanseld wordt, zoals nu gebeurt.

zie ook: http://visualartsmediaarchitecture.wordpress.com/2014/05/31/debate-on-the-university/

street-by-street

Publicatie | Het laatste restje publieke ruimte : De tragiek van stedelijke vernieuwing in Amsterdam Nieuw-West

Foto: Taf Hassam

Dit artikel is gepubliceerd in Groniek (2013) 196, pp. 311-322. Voor een geannoteerde versie verwijs ik graag naar die publicatie. Dit artikel is een bewerking van de langere, Engelstalige tekst ‘Bulletproof Glass. A Short History of Transparency, Public Space and Surveillance in Amsterdam Nieuw-West’, Reconstruction 12, no. 3 (2012), http://reconstruction.eserver.org/123/contents123.shtml, s.p.

Nieuw-West, een verzameling naoorlogse wijken aan de westkant van Amsterdam, verandert momenteel van een ‘open stad’ in een ‘gesloten stad’. Het grootste verlies van de grootschalige vernieuwingsoperatie is de publieke ruimte, betoogt Roel Griffioen. “Terwijl de stadsvernieuwers lippendienst bewijzen aan een ‘levende stad’ en de ‘open samenleving’, wordt het tegenovergestelde bewerkstelligd: een archipel van kleine private eilandjes voor de haves in een zee van have-nots.”

Niet lang geleden was het stadsbeeld van de Mondriaanbuurt kenmerkend voor heel Amsterdam Nieuw-West, de verzameling naoorlogse uitbreidingswijken ten westen van de ringsnelweg A10. Net als elders in het stadsdeel stonden hier de portiekgebouwen van vier verdiepingen hoog netjes in het gelid. De bebouwing was niet georganiseerd in gesloten blokken, zoals bij eerdere generaties woningbouw het geval was, maar in ‘stroken’ die losjes in de open ruimte geparkeerd waren. De stroken stonden gearrangeerd in patronen van grove, in elkaar grijpende winkelhaken. Tussen de haakvormen ontstonden zo enigszins besloten maar openbaar toegankelijke binnengebieden, waarin landschappelijke hoven waren aangelegd. Eigenlijk was het niet de bebouwing die hier het meest in het oog sprong, maar de ruimtelijkheid van dit stadslandschap. Je kan je iets indenken bij de woorden van toenmalig wethouder van Volkshuisvesting, J.J. van der Velde, die over de aanleg van Nieuw-West jubelde dat waar men vroeger een park maakte in de stad, men nu een stad bouwde in een park.

Nog steeds is de Mondriaanbuurt typerend voor Nieuw-West, maar op een totaal andere manier. Inmiddels ondergaat de buurt, zoals zoveel andere buurten in het stadsdeel, een totale gedaanteverwisseling. Vrijwel alle portiekflats zijn gesloopt. Op een groot braakliggend terrein verrijst achter de zandhopen, betonmolens en bouwketen voorzichtig de eerste nieuwbouw, na een door de crisis veroorzaakte bouwstop van enkele jaren. De nieuwbouw die aan weerszijden van de buurt al is gerealiseerd, laat zien wat de Mondriaanbuurt te wachten staat. Het beeld is binnenstebuiten gekeerd. Nu is de bebouwing het belangrijkste stedenbouwkundige ingrediënt, en niet langer de openbare ruimte. Verderop, aan de andere zijde van de Mondriaanstraat, is er een aantal portiekflats gehandhaafd. Maar door toevoeging van een stel kloeke nieuwe volumes zijn deze haken feitelijk omgetoverd tot gesloten bouwblokken. De ruimte zit binnenin opgeborgen en is niet langer openbaar, maar alleen toegankelijk voor de bewoners.

Van september 2012 tot en met november 2013 viert Amsterdam Nieuw-West dat het zestig jaar geleden is dat koningin Juliana hier de eerste woonwijk opende: Slotermeer. In het hele stadsdeel vinden er in een periode van zestig weken activiteiten plaats, variërend van lezingen en debatten tot rondleidingen en filmvertoningen. Het heeft iets wrangs dat ondertussen het stadsdeel zelf grondig vertimmerd wordt. Onder het vaandel van ‘stedelijke vernieuwing’ worden grote delen van dit modernistische stedenbouwkundige experiment, dat in Nederland qua schaal en ambitie zijn gelijke niet kent, gesloopt en herbouwd.

Voor deze grootschalige operatie – enkele jaren geleden werd Nieuw-West de grootste bouwput van Europa genoemd – zijn veel argumenten aan te dragen. De bebouwing, die vaak nog geen zestig jaar oud is, voldoet niet meer. Dat stellen de woningbouwcorporaties, die zich in deze stadsgebieden ontpopt hebben tot projectontwikkelaars. De woningen zijn te versleten of te verkrampt; de gevels te grauw, de bebouwing te monotoon. Doordat de ‘plinten’ te ‘gesloten’ zijn, hetgeen wil zeggen er op het niveau van de begane grond geen ramen zijn omdat daar zich de bergingen bevinden, is er te weinig controle op de straat. Dan is er ook nog de slechte reputatie waarmee het stadsdeel moet afrekenen. In 2007 werden de wijken die samen Nieuw-West vormen op de lijst van veertig ‘Vogelaarwijken’ geplaatst. Nieuw-West werd een synoniem voor misdaad, sociale onrust en zelfs religieus fundamentalisme; zowel Mohammed Bouyeri als enkele leden van de Hofstadgroep waren uit de wijk afkomstig. In 2003 noemde de toenmalige stadsdeelvoorzitter van Slotervaart (toen nog een stadsdeel, later met de omliggende stadsdelen opgegaan in Nieuw-West) die wijk expliciet een ‘getto’ en stelde dat ‘als er nu niets zou gebeuren, het over tien jaar een oorlogsgebied zou zijn’. Of Nieuw-West zich werkelijk in zo’n terminale staat bevond is maar de vraag. Het vooringenomen geloof dat dit inderdaad het geval is, is genoeg om een pakket schadelijke gevolgen te veroorzaken, zoals de socioloog Loïc Wacquant al over dergelijke processen van wijketikettering vaststelde.

Argumenten tegen de sloop-en-nieuwbouwoperatie zijn er ook in overvloed. Niet voor niets is de wederopbouwperiode eens bestempeld als ‘een stuk onbeschermd verleden’. In de afgelopen jaren zijn er wel serieuze erfgoedkundige taxaties van de waarde van architectuur en stedenbouw van Nieuw-West geweest, maar die worden door stadsvernieuwers stilletjes van het bureau geveegd. Ik ving eens op dat de directeur van het belangrijkste hoofdstedelijke erfgoedcentrum eens van een coöperatie te horen had gekregen: ‘Jullie komen de Ring A10 niet over.’ Langzaam komt er kritiek op gang, maar critici zien nog weinig mogelijkheden om tot de besluitvorming door te dringen. Gert Jan te Velde, een van de drie directeuren van Van Schagen architekten, een bureau dat in de afgelopen decennia naam maakte met intelligente renovatie- en transformatieprojecten in de wederopbouwwijken, klaagde in een interview dat ik in 2010 met hem afnam: ‘Stedelijke vernieuwing is een soort nietsontziende productiemachine geworden. De machine draait op volle toeren. En productie gaat vaak zonder reflectie.’ Over de naoorlogse stedenbouw en architectuur wordt vaak gesproken als een yesterday’s tomorrow, de fysieke erfenis van een tijd waarin we nog geloofden dat de toekomst met ‘doorzeefd schokbeton’ gebouwd kon worden. Wijken uit de jaren vijftig worden gezien als ruïnes van een gedateerde maatschappijvisie, die men daarom zonder gewetensnood kan slopen – niet als levende plaatsen die tijd gegund moeten krijgen om begroeid te raken met geschiedenis, om nieuwe lagen van gebruik en betekenis te verkrijgen.

In dit artikel wil ik geen strikt erfgoedkundige lezing van de problematiek verschaffen, maar in plaats daarvan de aandacht vestigen op een chronisch onderbelicht aspect in het debat, namelijk de sociaal-ruimtelijke gevolgen van de stadsvernieuwing. Zoals gezegd worden de naoorlogse woningbouwprojecten, met hun autonome patronen in de open ruimte, in een angstaanjagend tempo vervangen door gesloten configuraties, met gevelwanden die de straat volgen. Deze ingreep vindt niet alleen plaats op het niveau van het stadsbeeld, maar wijst op een dieper probleem. Het ideaal van de ‘open stad’ wordt ingeruild voor een meer pragmatische model dat ik graag de ‘gesloten stad’ wil noemen, een model dat gefundeerd is op andere concepties van burgerschap, privacy, toezicht en de publieke sfeer. In het laatste deel wil ik deze ontwikkelingen inbedden in wat de socioloog Zygmunt Bauman ‘urban space wars’ noemt: de strijd om ruimte die zich momenteel in zoveel steden in de wereld aftekent.

Tussen de dingen

De openbare ruimte in naoorlogse wijken zoals Nieuw-West ligt zwaar onder vuur. Die ruimte wordt vaak als problematisch beschreven en geassocieerd met criminaliteit, onveiligheid en onbeheersbaarheid. Vaak genoemde problemen zijn de mate waarin de openbare ruimte aanwezig is, het beheer ervan en de onduidelijke scheidslijnen tussen publiek, collectief en privé. De socioloog Arnold Reijnsdorp vatte de omslag in de waardering van de publieke tuinen en hoven in 1996 als volgt samen: ‘Vroeger was het groen van iedereen, tegenwoordig is het van niemand.’ Jacques Thielen, directeur van Far West, een conglomeraat van woningbouwcorporaties dat de hoofdrol speelde bij de transformatie van de naoorlogse wijken in Amsterdam, zegt: ‘Vijftig jaar geleden gaven de overvloedige open ruimtes in de Westelijke Tuinsteden het gevoel van vrijheid. Maar nu zorgen ze vooral voor angst en een gevoel van onveiligheid.’

Zoals men bepaalde teksten alleen kan begrijpen als men ‘tussen de regels leest’, is begrip van de verkaveling in hoven in bijvoorbeeld de Mondriaanbuurt alleen mogelijk wanneer men zich op de onbebouwde ruimte richt. Niet voor niets is dit oningevulde waarin de strookbebouwing zwemt wel eens de ruimte ‘tussen de dingen’ genoemd. In de moderne stedenbouw is ‘misschien wel het allerbelangrijkste streven om onbebouwd te laten,’ doceerde een handboek Planologie uit 1930. De Westelijke Tuinsteden – dat was de oorspronkelijke verzamelnaam van de wijken Slotermeer (1952), Geuzenveld (1954), Slotervaart (1955), Overtoomse Veld (1956) en Osdorp (1958), die nu samen Nieuw-West vormen – werden op een totaal andere manier verkaveld dan binnen de ring de regel was. Het bouwblok kreeg hier geen voet aan de grond. Daardoor openbaarden de wijken zich visueel op een totaal andere wijze dan de negentiende-eeuwse en zelfs vooroorlogse wijken dat deden. Bij deze eerdere generaties beperkte de ruimte zich voor het publieke oog tot de noodzakelijke uitsparingen tussen de bouwblokken, de straten en de pleinen – de stadsravijnen die Le Corbusier ‘rue corridor’ noemde.

De desintegratie van het bouwblok wordt in de architectuurhistorische literatuur doorgaans beschreven als een ontwikkeling die was ingezet in de negentiende eeuw toen men aandacht kreeg voor de volksgezondheid. Het doel was om de leefomstandigheden te verbeteren om meer ‘lucht, licht en ruimte’ het woonblok en de woning binnen te hevelen. De open stad kan echter ook begrepen worden als een stedenbouwkundige verbeelding van de ‘open samenleving’. Met het openbreken van het blok werd ook de harde begrenzing tussen de beslotenheid van het gezinsleven en de ‘vijandige’ buitenwereld geforceerd. De ruimte werd vloeibaar: de straat stroomde naar binnen het huis in en het huis spoelde naar buiten de straat op. De modernist Van Tijen schreef reeds in 1931 over de woonwijk:

‘De woning eindigt niet meer bij de voordeur om daar buiten een vijandige buitenwereld aan te treffen. […] De wijk ontwikkelt zich van een willekeurig conglomeraat, waarin alleen de rooilijn eenige orde schept, tot een organisch geheel van wonen, rusten, spelen, ontspanning, voeden en reinigen, werken en leeren.’

Het dominante beeld van de stedenbouw uit de jaren vijftig is dat toen elke grote of middelgrote stad een kraag van saaie slaapsteden omgespeld kreeg. De samenleving die planners middels hun ontwerpen wilden faciliteren, zou een cellofaanverpakte, steriele maatschappij zijn. Ten onrechte: in het denken van de volkshuisvesters nam pluralisme een belangrijke plek in. De wijk werd opgevat als een representatieve afbeelding van de samenleving als geheel. Of omgekeerd gezegd werd de wereld fysiek verkleind tot de schaal van de wijk – een voor de mens behapbare dimensie. ‘Een woonwijk behoort hiér geschikt te zijn voor arbeiders, dáár voor de kleine burger en intellectueel, hiér voor het gezin, dáár voor de alleenwonende; zij moet plaats bieden zowel voor het kind als voor de bejaarde en voor de volwassene,’ schreef Van Tijen tien jaar later in een studie hij opstelde met Maaskant, Brinkman en Van den Broek. Dit werd niet slechts in symbolische termen opgevat, als wensbeeld van een ideaalwijk, maar ook als een ruimtelijk model, als een demografische eenheid in een soort serieel en uitbreidbaar patroon.

In deze studie, Woonmogelijkheden in het Nieuwe Bouwen (1941), wordt de publieke ruimte voorgesteld als een soort stedelijke arena, de plek waar men geconfronteerd wordt met de ‘Ander’:
‘Op straat leert het kind de maatschappij kennen: het gevaar (de grote hond, de plagende jongen) en de wreedheid (de visvrouw) maar ook de kameraadschap, het avontuur en het sociale medelijden (de bedelaar). Hoezeer het gezin ook al altijd het eerste en de straat het tweede element in het kinderleven zal behoren te zijn, het kind, dat de ‘straat’ niet kent of niet aankan, groeit op in onmaatschappelijkheid.’

Snelkookpan

In de afgelopen decennia heeft Nieuw-West zich laten kennen als een snelkookpan voor stedelijke ontwikkelingen. In zestig jaar is de wijk getransformeerd van een trots symbool van de welvaartsstaat in de stedelijke opslagplaats van kansarmen. In het kort kan opgemerkt worden dat de influx van migrantengroepen de samenstelling van de bevolking sterk heeft veranderd. De eerste kleine groepjes gastarbeiders uit Zuid-Europa kwamen in de jaren zestig van de vorige eeuw, in de jaren negentig gevolgd door grotere groepen immigranten, voornamelijk afkomstig uit Marokko en Turkije. In sommige wijken vormen bewoners van Marokkaanse afkomst de grootste bevolkingsgroep (tussen de 30 en de 35 procent). Deze demografische ontwikkeling gaat gepaard met een groei van de armoede. Slotervaart heeft het hoogste aandeel minima van Amsterdam.

Het is tegen deze achtergrond dat de gemeentelijke overheid en de woningbouwcorporaties opteren voor het meest rigoureuze instrument dat zij voorhanden hebben: stedelijke vernieuwing. Stedelijke vernieuwing wordt verkocht als een probaat middel om sociaaleconomische en culturele verandering af te dwingen door het woningbestand van de wijk te vertimmeren. Fysieke stedelijke vernieuwing die betrekking heeft op de hardware van de stad wordt gezien als manier om sociaaleconomische vernieuwing van de software (de bevolking) te forceren. In sommige buurten wordt tussen de tachtig en de negentig procent van het bestaande woningbestand gesloopt. Stadsvernieuwing is dan een eufemisme voor stadsvervanging. Problematische buurten worden in de blinde sloop- en nieuwbouwdynamiek simpelweg vervangen door nieuwe buurten, zonder aandacht te schenken aan historische sedimenten of lokale karakteristieken van de plek. Dit soort kolossale, van bovenaf georganiseerde ingrepen wijzen op hetzelfde geloof in social engineering dat men de volkshuisvesters uit de jaren vijftig juist verwijt. De ‘machine’ dendert voort.

De sloop- en nieuwbouwoperatie is dus meer dan slechts de opwaardering van het woningbestand van een buurt of de sanering van een bulkpartij gedateerd onroerend goed. Voormalig stadsdeelvoorzitter van Slotervaart Goettsch gaf in 2003 toe dat aan de huizen weinig mankeert en dat de sloopplannen vanuit ‘maatschappelijk oogpunt’ gemaakt waren. Merijn Oudenampsen heeft eens treffend geanalyseerd hoe deze plannen in Nieuw-West gelegitimeerd worden middels zogenaamde SWOT-analyses (Strengths, Weaknesses, Opportunities, Threats), een methode overgewaaid uit het bedrijfsleven. De locatie wordt daarin vaak als ‘strength’ aangewezen, en de bevolking als ‘weakness’. De teneur van dit soort rapporten is, in Oudenampsens woorden: ‘Een gebied met volop mogelijkheden, […] alleen jammer van die bewoners.’

De modernistische ruimte van de jaren vijftig was ten diepste inclusief. Het was een ongedeelde, doorlopende ruimte, bewoond door verschillende sociale groepen. Dit kan overal in Nieuw-West nog worden opgemerkt. Zogenaamde doktersvilla’s, bedoeld voor de hogere middenklasse, staan pal naast portiekflats voor de arbeidersklasse en lagere middenklasse. Flats voor vrijgezellen zijn naast eengezinswoningen en gelijkvloerse woningen voor bejaarden geplaatst. De gebouwen maken deel uit van dezelfde optische ruimte, om te onderstrepen dat de verschillende groepen deel uitmaken van de dezelfde sociale ruimte. Niet voor niets heette een invloedrijke stadssociologische studie uit de jaren vijftig Ons deel in de ruimte.

Als de ruimte van Nieuw-West ontworpen is om inclusief te zijn, dan is de ruimte van Nieuw-Nieuw-West bedoeld om exclusief te zijn. De overgebleven ruimte wordt ‘gedomeiniseerd’, zoals het in beleidsstukken heet. Dit is plannersjargon voor een ingrijpende reorganisatie van de ruimte, waarbij duidelijke grenzen worden getrokken tussen privaat en publiek met als oogmerk om de omgeving veiliger en ‘leefbaar’ te maken. Wat ‘domeinisering’ in de praktijk betekent, wordt duidelijk in de talloze nieuwbouwprojecten in dit gebied. De ‘open’ stad van weleer wordt dichtgeweven. In de nieuwbouw worden vrijwel alleen maar gesloten woningbouwtypologieën toegepast: opgewarmde versies van het berlagiaanse blok (een typologie gepopulariseerd door H.P. Berlage na de Eerste Wereldoorlog), het middeleeuwse hof, de stadsstraat. De nieuwe woontypologieën staan met hun rug naar de maatschappij toegekeerd.

Dit is wat de socioloog Zygmunt Bauman beschreef als de opkomst van ‘chains of thinly, but widely spread mini-utopias consolidated into realities’ of ‘an archipelago of pre-fabricated islands of pre-designed order’ in het stedelijke weefsel. Op zoek naar stabiliteit in een steeds onstabieler wordende wereld, maken de gepriviligeerden gebruik van ‘barrier strategies’, schrijft Bauman: ‘Safety, like all other aspects of human life in a relentlessly individualized and privatized world, must be a ‘do-it-yourself’ job.’ De wooneilanden symboliseren het afscheid van de straat, van de publieke sfeer, aldus Bauman. ‘Rather than struggling to reform the street, let’s cut ourselves free from its hazards, run for shelter and lock the door behind.’

De oorzaak en de impact van domeinisering laten zich het beste begrijpen door dieper te kijken in Baumans ideeën over ‘urban space wars’. Instabiliteit en onzekerheid zijn intrinsieke eigenschappen van de economische, sociale en politieke texturen van onze tijd. Iedereen voelt deze terminale staat van flux, maar sommigen zijn beter in staat om de golven van de continue verandering te berijden dan anderen. In lijn met Manual Castells’ notie van de Network Society, maakt Bauman een onderscheid tussen een hoge rang die aangesloten is op een grenzeloos net van communicatie en uitwisseling van kennis en geld, en een lage rang die gekoppeld is aan gesegregeerde, lokale netwerken. Leden van de bovenste rang, wier relaties en verantwoordelijkheden ‘extraterritoriaal’ geworden zijn, zijn niet langer veroordeeld tot een ‘habitat’, een plaats met specifieke coördinaten. Maar hun mobiliteit is een privilege; leden van de tweede groep zijn ‘veroordeeld tot lokaliteit’, zoals Bauman het uitdrukt. Hun identiteiten zijn misschien gemodelleerd naar voorbeelden van ver weg, maar uiteindelijk zijn zij diep geworteld in de geografie van de lokale leefomgeving, een concreet gebied. Leden van de mobiele klasse zijn ‘in een plaats’, maar ‘niet van de wereld’, zoals Bauman het bekende Bijbelse gezegde parafraseert. Voor hen is er altijd een vertrekstrategie voorhanden. Voor leden van de ‘immobiele klasse’ is de conditie van de directe leefwereld echter van vitaal belang, omdat dit het decor is waartegen de rest van hun leven zich waarschijnlijk zal afspelen. Bauman: ‘For them, it is inside the city they inhabit that the battle for survival and a decent place in the world is launched, waged, won or lost.’

Deze twee rangen zijn gesegregeerd. Lot, toekomst en verantwoordelijkheid nemen in deze twee verschillende werelden tegenovergestelde ruimtelijke vormen aan. Toch kunnen de twee leefwerelden in elkaars nabijheid bestaan. Domeinisering is het resultaat van een poging om Nieuw-West te herbevolken met mensen die tot de bovenste rang behoren. Hun default mode is een soort vrijblijvendheid ten opzichte van lokaliteit, hoewel die vrijblijvendheid desgewenst kan worden omgezet in betrokkenheid. De omgeving hoeft van hen niets te verwachten, omdat zij niets van de omgeving verwachten. Deze territoriale vrijblijvendheid uit zich in de segregatie van ruimte en de constructie van architecturen die erop gericht zijn buiten te sluiten. Bauman noemt dit ‘mixofobie’ (‘mixophobia’): ‘A highly predictable and widespread reaction to the mind-boggling, spine-chilling and nerve-breaking variety of human types and lifestyles that meet and rub elbows and shoulders in the streets of contemporary cities’.

Mixofobie presenteert een alternatieve vertrekstrategie waarbij het verlaten van de plaats niet vereist is. Het is een huiselijke ontsnappingsmogelijkheid – je vlucht simpelweg naar binnen en barricadeert de deur.

Jeuk

Terwijl Nieuw-Nieuw-West zich gestaag ontwikkelt binnen Nieuw-West, nadert de metamorfose van de ‘open stad’ in de ‘gesloten stad’ haar voltooiing. De hang naar een gesloten verkaveling komt voort uit een angst voor de ‘Ander’, een weerzin tegen onaangekondigde confrontaties met de onbekenden, een nadrukkelijke wens om buitenstaanders daadwerkelijk buiten de deur te houden. Het is een wereld- en werkelijkheidmijdende wens: men betrekt een enclave en sluit zich af van de wereld die wordt vereenzelvigd met gevaar, animositeit en overlast.

Het grootste verlies dat optreedt in dit proces is het verlies van een goed functionerende publieke ruimte. Domeinisering is geen medicijn tegen stedelijke onzekerheid, maar slechts een palliatief. Het stedelijke vernieuwingsprogramma in Nieuw-West neemt de jeuk misschien weg, maar de ziekte blijft dooretteren. Ik volg Bauman in zijn veronderstelling dat de voorgestelde behandeling pathogenisch is en de problemen enkel dieper en resistenter maken. Door met afscheidingen afgezette habitatten verminderen de persoonlijke verantwoordelijkheden en wordt onze relatie met de omgeving ondermijnd. Zo nemen we de ‘continue, bijna subliminale interactie met vreemden’ weg die zo bij het stadsleven hoort. Met andere woorden: mixofobie leidt tot meer mixofobie.

Hoe serieus de nietsontziende stadsvernieuwingspraktijken in Nieuw-West ook mogen zijn, voor de liefhebber van wrange humor valt er misschien toch wat te halen. De zelfverdediging van het vernieuwingsapparaat bevat een interessante, newspeak-achtige knoop. Men vernietigt de openbare ruimte die nodig is om publiek leven te faciliteren, maar doet dit onder het voorwendsel dat het publieke domein juist nieuw leven wordt ingeblazen door demografische diversiteit te bevorderen. Niemand zal bezwaar maken tegen het toekomstbeeld van een vrolijke, bruisende, gemengde woonwijk, dat middels smakelijke computer-gegenereerde plaatjes in talloze brochures wordt opgedist. Met dit doel (het bevorderen van culturele en sociaaleconomische diversiteit) is weinig mis, met de middelen (de sloop van complete buurten en vervanging van open door gesloten bebouwing) in mijn optiek des te meer. De vraag of het doel dit soort rigoureuze middelen heiligt is relevant en moet gesteld worden, maar men kan zich zelfs afvragen of het doel in dit geval niet verzonnen is ter rechtvaardiging van de middelen. Terwijl de stadsvernieuwers lippendienst bewijzen aan een ‘levende stad’ en de ‘open samenleving’, wordt het tegenovergestelde bewerkstelligd: een archipel van kleine private eilandjes voor de haves in een zee van have-nots. Twee werelden die hetzelfde territorium delen, maar blind voor elkaar zijn.

mies

Editorial | Mind the Map | Kunstlicht, Volume 34 (2013), no. 4 | Out Soon!

Mind the Map
Kunstlicht, Volume 34 (2013), no. 4

Editorial

For centuries the map was an instrument beyond question. Scientists and explorers forced the terra incognita into confinement, and cartographers tamed new worlds using nothing but a ruler and compass.

A shift took place during the twentieth century. It has since been said that the map covers (Jorge Luis Borges) or even replaces (Jean Baudrillard) the terrain, while others have argued that topography (literally: place writing) does not only describe our world, but writes it into existence. ‘Critical’ or ‘radical’ cartography shifted the focus from the map as an arrested status quo to ‘mapping’ as a performative and political act. In anthropology, cartography is by now a conventional instrument to measure the subjective experience of everyday space, and beyond the walls of academia terms such as ‘story maps’, ‘narrative cartography’ and ‘soft atlas’ frequently arise. Popular novels, too, are nowadays inhabited by geographers, cartographers, or artists with a cartographic obsession, such as in Daniel Kehlmann’s Die Vermessung der Welt (2005), Michel Houellebecq’s La Carte et Le Territoire (2010), and the recently-published Levels of Life, by Julian Barnes (2013). It begs the question, would a popular-science book such as Simon Garfield’s On the Map. Why the World Looks the Way it Does (2013) have been a bestseller ten or twenty years ago?

These developments are reflected in the visual arts. Works such as Stanley Brouwn’s This Way Brouwn (1961) already alluded to an alleged link between cartography and the individual experience of space long before it became commonplace in anthropology. Walter Benjamin’s wish to graphically express the ‘bios’, the Raum des Lebens, on a map, has taken curious shape in, for example, the psychogeography of Guy Debord and his fellow Situationists, the ‘hiking maps’ of Richard Long, and the cartographic diaries of On Kawara (I Went, 1968-1979). In her essay ‘Farewell to Modernism’ (1979), Kim Levin considers the map an ‘emblem’ of Postmodernism. For Levin and her contemporaries, the map symbolized the urge to look outward, and in doing so escape from the self-reflexivity of the artwork as sanctioned by Modernism.

Art that incorporates cartographic material is no longer a rarity. On the contrary, it seems almost ubiquitous. This publication explores the exceptional renaissance of the map in the visual arts. How can we explain artists’ attraction to the map? And should we speak of a unilateral influence, or can cartography in turn learn something from the visual arts?

The latter question is answered with a resounding ‘yes’ by political geographer Henk van Houtum. In an op-ed that kickstarts the issue, Van Houtum introduces a number of themes central to (critical) cartography, and suggests that art can offer an alternative to the positivist cartographic claim of neutrality. In his opinion, cartographers should form alliances with video artists, illustrators, and designers. The next author, Karl Whittington, returns to an era in which art and geography amicably rubbed shoulders – the Middle Ages, but also focuses his attention on contemporary developments of the canon. With the thirteenth-century ‘Psalter Map’ in hand, he demonstrates how certain maps are too easily considered as representative of an entire era or world view, and advocates instead for the use of ‘messier’ examples.

Cultural historian Robert Verhoogt shows us the world from above, as seen from a hot air balloon. In his contribution, Verhoogt explores the rise and heyday of balloon aviation, and reflects on the sheer amazement this new perspective on the world brought to the nineteenth-century. Moving into the twenty-first century, Andreea Breazu describes the latest revolution in cartographic thinking, which is perhaps just as meaningful for our view of the world as the invention of the balloon. Nowadays we use Google Street View to stroll through a photographic facsimile of the world, all whilst sitting at the computer. Breazu shows us how artists have appropriated Street View in order to enact a kind of digital psychogeography.

Christopher Collier offers an extensive analysis of the classic example from psychogeography, Guy Debord’s The Naked City (1957). According to Collier, the work is primarily a critique on commodity exchange, and only secondarily is it an attack on the supposed objectivity of the map. This faux objectivity is also addressed by Roel Griffioen and Martijn Stronks. In ‘Het reliëf’, designed by Merel Schenk, the human body becomes a map, while the map acquires a body.

Joram Kraaijeveld reconsiders Alighiero e Boetti’s famous Mappa del Mondo (1971-1994), perhaps a contemporary equivalent to the Psalter Map in its discursive user-friendliness. He juxtaposes Boetti’s maps with the less conventional case study of Gravesend (2007) by Steve McQueen: two complementary imaginings of geopolitical space. In the final essay, Steyn Bergs shows how the aesthetic of the fictional artist Jed Martin, the protagonist of the aforementioned novel by Michel Houellebecq, can be summed up with the aphorism ‘the map is more interesting than the territory’, and argues that this statement not only applies to Martin, but also to other Houellebecqian characters – and perhaps to the writer himself.

Mind the Map begins and ends with contributions by visual artists. At the very beginning of this publication you will find the work of Pia Louwerens. Louwerens was involved with this issue from an early stage, and brought its various textual layers together in three drawings – consider it a legend to Mind the Map. The publication concludes with an appendix filled with artists’ contributions. From Lado Darakhvelidze’s recent project Mapping the Caucasus with you, multiple images are shown. The artist paints large maps based on childhood memories – sometimes his own, sometimes those of people from the regions and states of the conflicted Caucasus, whom he meets through chat rooms and online forums.

Annesas Appel focuses on the cartographic representation itself. What does it entail, what forms does it yield, and are other representations possible? Appel presents, among others, her latest, ongoing mapping project, View on the World Map. In Julio Pastor’s contribution, cartographic notions are stretched even further. Pastor combines images and text in order to show how maps diagrammatically represent space. Elian Somers introduces the remarkable story of California City, the city that refuses to become one. Somers shows that the discrepancy between the map and the terrain feels larger here than it does anywhere else. How different is the work of Michael Wolf, who uses the map to find his way around a new city. Through explorations in Google Street View, the photographer tried to appropriate his new hometown, Paris.

The appendix with artists’ contributions is not the only visual contribution in Mind the Map. In collaboration with Lida Ruitinga, curator of the map collection of the VU University Amsterdam, Kunstlicht composed a collection of extraordinary details from old maps in the VU-collection. The color-printing of these images, as well as of the artists’ contributions, was made possible thanks to the financial support of the Barent Langenes Foundation and the journal Caert-Thresoor.

In conjunction with Mind the Map, Kunstlicht curated Alternative Exactitudes, an exhibition displaying artworks that open up our understanding of cartography, raise new questions and formulate unexpected answers. Alternative Exactitudes will be on view at P/////AKT, Platform for Contemporary Art. For more information and a print-on-demand catalogue, please visit tijdschriftkunstlicht.nl.

Furthermore, we wish to acknowledge the departure of our designer Edwin de Boer. We would like to thank him for his commitment to Kunstlicht and for the excellent designs he has delivered. Mind the Map marks the debut of our new designer, Merel Schenk, and it gives us every reason to confidently look forward to a fruitful partnership. The editorial team also welcomes Harmen Brethouwer and Emily Hale, proofreaders, and Joris van Huët, who will, among other things, provide Kunstlicht with technical support.

On behalf of the board of editors,
Roel Griffioen and Docus van der Made

meyer_biro_somers

Publicatie | In de kantlijn van de Sovjet-Unie. Elian Somers’ Border Theories

Published as: ‘On the margins of the Soviet Union; Elian Somers’s Border Theories / In de kantlijn van de Sovjet-Unie; Elian Somers’ Border Theories’, SMBA Newsletter N* 131. Download pdf

Dutch text:

In 1890 doorstak Anton Tsjechov Rusland en Siberië om in Sachalin de strafkolonies te bestuderen. Na een reis van 81 dagen per trein, paardenkoets, slee en schip arriveerde hij op het eiland dat tussen de zeeën van Japan en Ochotsk ligt, hemelsbreed dichterbij San Francisco dan bij Moskou. In de volgende drie maanden voerde hij in deze “hel” eigenhandig een soort census uit, waarvoor hij ongeveer alle tienduizend verschoppelingen en criminelen op het eiland interviewde en registreerde. Wat Tsjechov, een gevierd schrijver maar van huis uit arts, dreef tot deze hachelijke onderneming is nooit helemaal opgehelderd. Zelf deed hij nogal raadselachtig over zijn motieven. Hij had in de jaren voor zijn reis tot zijn spijt de geneeskunde, zijn “wettige vrouw”, “verwaarloosd”, schreef hij aan een vriend. Een ander kreeg te horen dat hij naar Sachalin ging om simpelweg “een jaar of anderhalf” uit zijn leven “weg te strepen”.

Al lezende in De reis naar Sachalin, het in 1895 gepubliceerde onderzoek en reisverslag in een, krijg je de indruk dat de schrijver door deze expeditie ook vat wilde krijgen op de immense grootte en schaal van Rusland. Hij noemt de reis zijn Odyssee naar de meest uiterste rand. “Siberië is een koud en lang land,” merkt hij op. Het weer in Sachalin is ruig, en de bevolking nog ruiger, schrijft hij elders. Sachalin “lijkt het einde van de wereld, alsof je niet verder kunt.”

Voor wie naar de foto’s van Elian Somers kijkt, is het niet moeilijk voor te stellen dat Sachalin nog steeds een einde van de wereld is. Vanaf een heuvel kijk je een dal in, waarin zich de hoofdstad Joezjno-Sachalinsk uitstrekt. Veel is daar niet van te zien. Een horizon ontbreekt, de blik strandt in een grauwe rouwdeken van mist. Op de enkele dichtbijgelegen straten en blokken na gaat de stad gehuld in nevels – dezelfde nevels waarvan Tsjechov klaagt dat ze op Sachalin het eeuwig leven hebben.

Tussen De reis naar Sachalin en Elian Somers’ werk Border Theories (2009-2013) bestaat een soort intuïtieve verwantschap. Dat komt niet enkel door de nevels van Sachalin. Border Theories gaat over Joezjno-Sachalinsk, maar ook over twee andere steden in de kantlijn van de Russische federatie: Birobidzjan, een stad tegen de grens met China, en Kaliningrad, bestuurlijk centrum van de gelijknamige Russische enclave tussen Polen en Litouwen. De overeenkomst van de foto’s met de Odyssee van Tsjechov reikt dieper. De schrijver werd het onbekende gebied in gedreven door een nieuwsgierigheid naar het spel tussen het centrum en de periferie, de afstand tussen de hoofdstad en de rafelrand, het verschil tussen de norm en de afwijking. Hij was geïnteresseerd in de discrepantie tussen het officiële Rusland, zoals bedacht en beschreven in de studeerkamers en salons van Moskou en St. Petersburg, en het officieuze Rusland dat door die representaties ontkent of onderdrukt werd, een gigantische etnische, culturele, taalkundige en religieuze lappendeken.

Border Theories – dat naast Somers’ foto’s bestaat uit teksten en uit archieven verzamelde documenten, foto’s en kaarten – onderzoekt hetzelfde schemergebied tussen plan en werkelijkheid. Somers raakte geïntrigeerd door de wijze waarop in steden als Joezjno-Sachalinsk, Birobidzjan en Kaliningrad in de Sovjettijd en daarna zowel het architectonische aanzien, als de demografie, als de geschiedenis meermaals herschreven zijn. De drie steden liggen in betwist gebied, en hebben een betwiste geschiedenis. Allerlei nationalistische, etnische en culturele verhalen zijn hier met elkaar verstrengeld.

Neem bijvoorbeeld Sachalin. Kijk naar de kaart en je ziet waarom het eiland tot op de dag inzet van diplomatieke strijd is. Het ligt in het verlengde van de Japanse archipel, maar raakt aan de noordkant bijna het Siberische vasteland. In de winter kan de oversteek naar het Aziatische vasteland te voet worden gemaakt. Zelfs over wie Sachalin ontdekt heeft, bestaat onenigheid: was het een Rus, een Japanner of toch ‘onze’ Gerrit de Vries in de zeventiende eeuw? In de afgelopen honderdzestig jaar ging het eiland verschillende malen over van Japanse naar Russische handen en weer terug, soms gedeeltelijk, soms in zijn totaliteit. Toen Tsjechov Sachalin bezocht, stond het onder Russisch bestuur en fungeerde het voornamelijk als verbanningsoord. Na de Russisch-Japanse oorlog in 1904-1905 werd het eiland in tweeën gedeeld, waarbij het zuidelijke deel bij Japan gevoegd werd. Na de Japanse capitulatie in 1945 annexeerde de Sovjet-Unie ook het zuidelijke gebied. De Japanse bevolking werd verdreven. Toyohara, de belangrijkste plaats op het eiland, werd grondig ontdaan van Japanse invloeden en vertimmerd tot Joezjno-Sachalinsk.

Kaliningrad en Birobidzjan hebben vergelijkbaar complexe verledens. Kaliningrad heette tot 1945 Koningsbergen (Königsberg). In dat jaar werd de regio Oost-Pruisen vrij snel na verovering door het Rode Leger ingelijfd door de Sovjet-Unie. Als eerbetoon werden zowel de regio als de stad vernoemd naar de net-overleden oud-president van de Soviet-Unie, Michail Kalinin. De ‘ontduitsing’ van het gebied beperkte zich niet tot de symbolische naamsverandering. Bijna alle ongeveer honderdtienduizend overgebleven etnische Duitsers, uit een totaal van bijna een miljoen die reeds gevlucht waren, werden gedeporteerd. Op de stad, die zwaar gehavend uit de oorlog was gekomen, werd een ‘Russisch’ wederopbouwplan geprojecteerd. In een rigoureus reinigingsritueel werd de gebouwde omgeving gezuiverd van alles dat het ‘Duitse’ verleden kon oproepen.

Voor Birobidzjan is er een vergelijkbaar verhaal. Deze stad is in de jaren dertig van de vorige eeuw gebouwd, als bestuurlijk centrum van de destijds zojuist opgerichte Joods-Autonome Regio, op grondgebied dat – om het nog ingewikkelder te maken – in 1858 geannexeerd werd van China. De stichting van de Joods-Autonome Regio was het gevolg van de korenisatie-politiek van het Kremlin, waarbij etnische minderheden ‘thuislanden’ aangewezen kregen in de periferie van de Sovjet-Unie. Korenisatie, hetgeen zoiets betekent als ‘inheems maken’, was geënt op een vroeg pamflet van Jozef Stalin, Marxisme en het Nationale Vraagstuk, uit 1913. Wrang genoeg was het dezelfde Stalin die toen hij aan de macht kwam deze politiek terugdraaide en ‘russificatie’ van de randgebieden propageerde: een opgelegde identiteitspolitiek waarbij niet-Russische groepen gedwongen werden tot assimilatie.

Joezjno-Sachalinsk, Birobidzjan en Kaliningrad zijn in Border Theories getuigen van de wijze waarop het Kremlin trachtte via stedenbouw en etno-politiek – in dit geval deportaties en herbevolking – vat te krijgen op dit eindeloze gebied. Op een foto, genomen vanaf een hoog standpunt, zie je de bebouwing van Birobidzjan net boven de bomen uitkomen. Het zijn portiekflats die netjes in het gelid staan. Khruschevka worden deze gebouwen in Rusland vaak genoemd, omdat ze vooral in periode van Kroetschov gebouwd zijn: de jaren ’60 uit de twintigste eeuw. Op een tweetal foto’s uit Kaliningrad staan ze beter in beeld. Dat in twee steden die negenduizend kilometer van elkaar verwijderd zijn dezelfde portiekflats staan is geen toeval, maar laat zien hoe Moskou door architectuur en stedenbouw dit grote, kreukelige rijk wilde gladstrijken. Een bekende Sovjetanekdote verhaalt van een man die dronken in de trein in slaap valt en wakker wordt in de verkeerde stad. In de veronderstelling dat hij nog in zijn woonplaats is, stopt hij een taxi, geeft zijn adres en laat zich rijden. Hij stapt uit in een straat die dezelfde naam draagt als de straat waarin hij woont, voor een gebouw dat eruit ziet als het gebouw waar hij leeft. De man opent de voordeur met zijn eigen sleutel, gaat het appartement binnen en valt in slaap in bed, om pas te ontdekken dat het niet zijn huis is als hij gewekt wordt door andermans geliefde.

Border Theories toont de feilbaarheid van deze grootschalige stedenbouwkundige projecten, maar niet op een manier die doet denken aan ramptoerisme, waarbij we smalend langs de jammerlijk mislukte yesterday’s tomorrows van het communisme worden geleid. Border Theories is niet simpelweg een vertelling over de discrepantie tussen het utopische beeld van de stralende socialistische stad en de grauwe stedelijke realiteit – dat liedje kennen we inmiddels wel. Als je er oog voor hebt, geven de foto’s van Somers wel iets prijs over de manier waarop alle politieke omslagen littekens achterlaten in het weefsel van de stad. Vaker echter roepen de foto’s vragen op.

Een goed voorbeeld daarvan is een foto van een monumentaal gebouw van witgepleisterde baksteen in Birobidzjan. Hier zijn er op het eerste gezicht genoeg aanknopingspunten voor een hermeneutische beeldanalyse. Het gebouw lijkt stilistisch (modernisme met een vleugje art-deco) gemakkelijk te dateren: de jaren dertig. Is dit een scherf van het nooit volledig gerealiseerde stedenbouwkundige plan voor Birobidzjan van voormalig Bauhaus-directeur Hannes Meyer? Het blijkt ingewikkelder te liggen. Het betreft een recente herinterpretatie van het Bauhaus-theater dat hier in 1934 voor de Joodse gemeenschap gebouwd werd. Tijdens een antisemitische campagne van Stalin in de jaren 1948 en 1949 werd het theater, zoals veel Joodse publieke instituten in Birobidzjan, gesloten. Het gebouw werd eerst getransformeerd tot Paleis voor Sovjetpioniers en later, in de jaren ‘70, gesloopt. Ter gelegenheid van de vijftigste verjaardag van de Joods Autonome Regio werd het cultuurpaleis herbouwd, als icoon van de Joodse identiteit. Wrang genoeg besloot het Jiddisch Repertoire Theater, waar het gebouw aanvankelijk voor bedoeld was, zich uiteindelijk in Moskou te vestigen. Inmiddels hebben zich een aantal Chinese entrepreneurs in de plint genesteld.

Zo wordt één gebouw een soort capsule vol vragen. Wat is de relatie is tussen morfologie en ideologie, tussen vorm en inhoud, tussen een gebouw en wat er zich achter de gevels afspeelt? Wat blijft er nog over van het idee van de foto als betekenisdrager, of als journalistiek document, of als een venster op de werkelijkheid? Wat vertelt de foto van dit theater nu werkelijk over de werkelijkheid? Het roept Brechts beroemde opmerking in herinnering dat een “reproductie van de realiteit niets zegt over de realiteit”, zoals foto van een fabriek niets vertelt over de werkomstandigheden en “sociale relaties” in deze institutie. En toch biedt de foto, in wisselwerking met de andere informatiedragers (de teksten en onderschriften, het kaartmateriaal) wel een opening om na te denken over de geschiedenis van Birobidzjan. Of liever, in meervoud: de geschiedenissen van Birobidzjan, die historische narratieven vol plooien en kreukels, tegenstellingen en vraagtekens.

Geschiedenis is een werkplaats. In Birobidzjan moeten Khruschevka tegenwoordig steeds vaker wijken voor traditionalistische architectuur, in Kaliningrad vindt een herwaardering van de Duitse bouwkunst plaats en in Joezjno-Sachalinsk verrijzen er weer gebouwen die in vormentaal een Japanse invloed moeten suggereren. Dit soort ‘correcties’ van het stadsbeeld zijn een aanwijzing voor hernieuwde noties van plaats, etniciteit en verleden. Onderdeel van Border Theories is ook een projectie van het communistische vlaggenschip van Kaliningrad: het Paleis van de Sovjets. Saillant is dat deze indrukwekkende betonkolos binnenkort waarschijnlijk gesloopt wordt om plaats te maken voor een replica van het gebouw dat hier tot 1945 stond: het middeleeuwse slot van Koningsbergen. Hier wordt gesleuteld aan een stad om het gesleutel aan de geschiedenis te verbloemen, zoals dat ook in de Sovjet-Unie gebeurde. Ook dit soort pogingen zullen feilbaar blijken, waarop er weer opnieuw gesleuteld moet worden, en opnieuw, en opnieuw.

Eeuwige nevels.

~~
~~~
~~

Featured image: Hannes Meyer, Birobidzhan, The First Soviet Jewish City in the World, 1933–1934. © Deutsches Architekturmuseum, Frankfurt/Main